Deel V · Fotografie
De gewoonste huizen
In onze woonkamer staat een kast.
Een witte Billy. Zo eentje die je in duizenden huizen tegenkomt. Er staan koeien op. Huisjes met hartjes. Een foto van toen de kinderen nog klein waren. Een vlinder in een lijstje. Een doos tissues. Gewone dingen.
En daartussen staat Stephen King. Plank na plank.
Mensen vragen wel eens waarom.
Waarom zoveel Stephen King in zo’n gewoon huis?
Maar King schrijft niet over monsters. Tenminste, niet in de eerste plaats. Hij schrijft over mensen. Over een vader die zijn best doet. Een dorp dat liever wegkijkt. Een vrouw die blijft terwijl iedereen allang vertrokken is.
Dat herken ik.
Niet omdat ik in monsters geloof, maar omdat ik al vijfentwintig jaar zie hoe mensen proberen gewoon door te leven. Aan keukentafels. In woonkamers. Op plekken waar de koffie gewoon wordt ingeschonken terwijl er ondertussen een heel leven op tafel ligt.
Misschien fotografeer ik daarom wel zoals ik fotografeer.
Niet de gebeurtenis, maar het moment waarop iemand even niet hoeft vol te houden.
De koe met bloemen boven op die boeken hoort daar precies. Net als de huisjes. Net als de vlinder. Zonder het gewone verliest het bijzondere zijn betekenis.
’s Avonds, als alleen het kleine lampje nog brandt, lijkt die kast soms op een dorp.
Achter elk boek woont een verhaal.
En misschien is dat wel de reden dat ik zoveel van Stephen King houd.
Niet omdat hij me bang maakt.
Maar omdat hij me eraan herinnert dat de meest bijzondere verhalen zich meestal afspelen in de gewoonste huizen.