Arie BruinsmaAandacht voor karakter.
Inhoudsopgave

Deel I · Eestrum

Met een stoel

Mijn heit was van 1931.

Hij groeide op in een tijd waarin paarden geen hobby waren, maar werkmakkers. Ze trokken de ploeg, maaiden het gras, haalden turf en deden het zware werk op de boerderij. Ze hoorden net zo vanzelfsprekend bij het erf als de boerderij zelf.

Toen ik geboren werd, was die wereld nog niet verdwenen. Er waren altijd dieren. Koeien, honden, katten en paarden. Voor mij waren het geen bijzondere verschijningen; ze waren er gewoon.

Als peuter kroop ik tussen de benen van de paarden door. Niemand leek daar erg van te schrikken. Misschien omdat de paarden mij al kenden voordat ik hen kende.

Er is een foto van een klein blond jongetje op een pony. Eén hand trots in de lucht, alsof de wereld al van hem was.

Jaren later vertelde mijn broer dat niemand mij op die pony had gezet.

“Je klom er zelf op,” zei hij. “Met een stoel.”

De pony bleef gewoon staan.