Deel II · Drogeham
Thús
Ik ben opgegroeid in een wereld van dieren, moestuinen, modderlaarzen en pannen eten waar altijd teveel van was. Een wereld waarin mensen niet voortdurend zeiden dat ze van elkaar hielden, maar het lieten zien in zorgen, werken, voeren, bewaren en doorgaan.
Als ik terugdenk aan waar het begon, kom ik steeds weer uit in Drogeham.
In 1925 bouwde een oom van mijn mem daar een klein huisje. Mijn pake en beppe gingen er wonen. Mijn mem werd later geboren, op 3 juli 1934, in Drachtstercompagnie, maar Drogeham werd haar thuis. Daar lag haar jeugd. De geur van het erf, het ritme van het dorp, de veiligheid van bekende stemmen en dezelfde drempel onder haar voeten.
Toen mijn heit en mem trouwden, woonden ze eerst nog een jaar bij haar ouders in. Daarna trokken ze verder door Fryslân. Van Nijlân naar Rottevalle, later naar Eestrum, waar ik geboren ben. Maar in 1975 kwamen ze terug naar Drogeham.
Later begreep ik pas wat dat eigenlijk betekende.
Heit kocht niet zomaar een huis.
Hij kocht mem haar jeugd terug.
Thús.
Mijn heit was geen grote man in lengte, maar wel in aanwezigheid. Hij kon dominant zijn, scherp ook, maar zodra het over dieren ging zat er een enorme zachtheid in hem. Pony’s, honden, koeien — daar had hij geduld voor dat hij niet altijd voor mensen kon opbrengen. Hij gaf makkelijk uit aan leven. Aan dieren, eten, plezier, aan mensen om hem heen. Niet aan cafés of status.
Mijn mem was anders.
Zij was een oorlogskind. Zij had geleerd dat zekerheid zomaar kon verdwijnen. Dus zij spaarde. Hield vast. Bewaarde. Niet omdat ze gierig was, maar omdat angst voor tekort diep in haar zat.
Waar heit naar buiten leefde, hield mem de boel bijeen.
Samen waren ze compleet.
Wij waren met z’n vijven thuis: Haaije, Jan, Foeke, Annie en ik als jongste. Iedereen droeg iets van hen mee. Bij de een meer van heit, bij de ander meer van mem. Maar achteraf zie ik dat we allemaal gevormd zijn door dezelfde wereld.
Een wereld van zaterdagavond met kippenvleugels op tafel.
Macaroni met Smac.
Koude snert de volgende dag.
Groenten uit eigen tuin.
Gebakken aardappeltjes met karnemelk.
En eten waarvan je soms beter niet teveel vragen kon stellen.
Mijn heit had een vriend die poelier was. Zo aten we eens vlees waarvan hij vroeg:
“Weetst wêr’t dit fan is?”
Ik proefde meteen dat het wild was.
“Gjin fazant… gjin ree… it liket op hazze of knyn,” zei ik.
Heit begon te glimlachen.
“Bynamme goed.”
Het bleek muskusrat te zijn.
Ik haalde mijn schouders op.
“Dat is in wetterknyn.”
En mem maakte er gewoon iets lekkers van.
Zo was dat vroeger. Niks verspillen. Gewoon leven.
Als jochie ging ik graag logeren bij ome Johannes en tante Griet, een jongere zus van heit. Ome Johannes was boer. Een man met donkere krullen, een brede lach en een stem die over een heel erf kon rollen. Volgens mij was hij de enige man voor wie mijn vader echt respect had.
Ik zie hem nog lopen met een enorme Holsteinstier. Dat dier was gigantisch. Ome Johannes zei alleen zacht “tsssssz”, gaf een klein rukje aan het touwtje aan de neusring en die kolos liep mee alsof het niets was.
Bij het melken was hij de rust zelf.
De schotten gingen open.
“Kom mar famkes.”
En de koeien liepen rustig de melkput in.
Misschien is daar mijn liefde voor koeien ontstaan. Hun nieuwsgierigheid. Hun kalmte. Dat zachte kijken van zo’n groot dier dat gewoon even wil weten wie je bent.
Ik hielp mee met melken. Liep met neef Harry koeien halen over het zandpad. Ik zie nog voor me hoe hij ineens een sprint trok en op de achterste koe sprong alsof hij cowboy was. Ik vond het prachtig. Diezelfde Harry heeft nu zijn eigen bedrijf in Drachten en lijkt als twee druppels water op ome Johannes.
De jaren gingen verder.
Heit werd ouder.
In de laatste periode van zijn leven takelde hij langzaam af. De man die altijd aanwezig was geweest, werd stiller en kwetsbaarder. Uiteindelijk overleed hij in Bertilla.
Daarna werd het stil op het erf.
Mem bleef achter. Uiteindelijk kon ze niet meer thuis blijven wonen. Ze verhuisde naar een verzorgingstehuis in Kollum. Een kamer van vier bij vier. Klein, na een leven vol ruimte, dieren, erf en herinneringen.
En toen moest het huis verkocht worden.
Maar het verdween niet uit de familie.
De dochter van mijn zus Annie kocht het huis.
En ineens besefte ik wat dat betekende:
van 1925 tot nu is dat huis in handen van dezelfde familie gebleven.
Vier generaties.
101 jaar.
Eén drempel.
Pake en beppe.
Heit en mem.
Nu de volgende generatie.
Het huis is niet verloren gegaan.
Alleen doorgegeven.
Ik woon nu in Sint Nicolaasga, maar soms denk ik dat Drogeham gewoon met mij mee verhuisd is. Niet letterlijk. Meer de ziel ervan.
Ik zie het in hoe ik leef.
In Ruby die oud wordt.
Rosco die waakt.
Shiva die als koning op zijn stoel zit.
In mijn liefde voor rust, voor luwte, voor dieren en voor mensen zoals ze zijn.
Steeds vaker begrijp ik dat ik meer van mijn ouders meedraag dan ik vroeger dacht.
Van heit heb ik het zorgen.
Van mem het bewaren.
En samen klopt dat nog steeds.
Thús blijkt geen plek te zijn waar je woont. Het is iets wat je meedraagt.