Deel IV · Stilstand en beweging
Wat een lawaai

Ik stond onder de douche en dacht: wat een lawaai.
Dat was niet meteen vreemd. Water maakt lawaai. Zeker wanneer het van dichtbij op je hoofd klettert. Maar dit was wel erg veel lawaai.
Toen viel het kwartje.
Ik had mijn hoortoestellen nog in.
Jump. Douche uit. Handdoek. Phonaks uit mijn oren, batterijvakjes open en alles zo snel mogelijk droogmaken.
Ze deden het later gewoon weer.
No problemo.
Ik was een jaar of veertien toen ik voor het eerst bij Oosterhoff Hoortoestellen in Drachten binnenliep. De zaak zat toen ook aan de Burgemeester Wuiteweg, maar aan de andere kant, vlak bij De Lawei. De oude Oosterhoff was een oudere man met een Indische uitstraling. Na hem kwam Anton Kerkhof en later Sieds Tabak.
De zaak verhuisde ondertussen twee keer. De techniek veranderde nog veel vaker.
Van analoge toestellen die vooral alles harder maakten, naar digitale apparaten die spraak herkennen, omgevingsgeluid onderdrukken en muziek rechtstreeks vanaf mijn telefoon in beide oren afspelen. Ik heb in de loop van de jaren Oticon, Phonak en ReSound gedragen. Bijna alle kleuren van de regenboog zijn voorbijgekomen.
Vleeskleurig wilde ik nooit.
Waarom zou ik doen alsof ze er niet zijn?
Wanneer iemand vraagt of ik slechthorend ben, zeg ik soms: “Nee hoor, maar ik vind ze mooi staan.”
Eerst zie je twijfel. Dan verschijnt de glimlach.
Zonder hoortoestellen hoor ik vooral gemurmel. Alsof ik met mijn hoofd onder water hang. Met toestellen krijg ik niet alleen geluid terug, maar ook woorden, richting en betekenis. Daarom ben ik kritisch op de afstelling. Megakritisch zelfs.
Audiciens kijken soms wat vreemd wanneer ik een paar keer met mijn tong klik.
Klik. Klik.
Voor hen is het alleen een geluidje. Voor mij is het genoeg om te horen of links en rechts in balans zijn, of de hoge tonen te scherp staan en waar het geluid een metalen randje krijgt. Ik kan bijna per frequentie aangeven wat er veranderd moet worden.
Volgens de computer kan een toestel perfect staan.
Volgens Arie nog niet.
Sieds begrijpt dat. Ik kan hem nog gewoon appen. Hij is een aardige, bijna verlegen man en hij kent mijn gehoor inmiddels goed. Zijn vrouw Hiltje staat bovendien in mijn boek It Gesicht fan Fryslân. Zo lopen de lijnen vaker in Fryslân.
Tegenwoordig kunnen hoortoestellen theoretisch op afstand worden ingesteld. In werkelijkheid wint een rit naar Drachten het meestal van Bluetooth, apps en verbindingsproblemen.
En ze hebben er prima koffie.
Het douchen met de Phonaks was niet mijn enige praktijktest met water. Twee jaar na mijn infarct ging ik kajakken. Motorisch was ik nog niet volledig hersteld, maar het ging prima.
Tot er een speedboot langskwam.
De hekgolf liet de kajak kapseizen. Ik hing ondersteboven in het water, met mijn Oticons achter mijn oren en mijn iPhone in mijn broekzak.
Mijn eerste gedachte ging niet over de hoortoestellen of de telefoon. Adem inhouden. Rustig blijven. Uit de kajak glijden.
Cynthia stond aan de kant. Voor haar gebeurde alles achter een steiger. Ze zag eerst niets. Toen verscheen er één hand op de steiger. Daarna een peddel.
Pas daarna kwam ik zelf boven water.
Ik zwom naar de kant met de kajak op sleeptouw en legde de telefoon en de hoortoestellen in de zon.
Alles deed het later weer.
No problemo.
Achteraf is het een mooi verhaal. Op dat moment was het vooral spannend genoeg. Sommige verhalen worden pas grappig wanneer iedereen weer veilig op de kant staat.
Sindsdien weet ik dat Phonaks een douche kunnen overleven en Oticons een gekapseisde kajak. Toch blijft water het irritantste aan hoortoestellen. Regen, zweet, een zwembad, een douche. Altijd dat kleine stemmetje: waar zijn mijn toestellen?
Misschien is het grootste compliment aan goede hoortoestellen wel dat je ze vergeet. Ze horen zo bij je dat je niet meer merkt dat je ze draagt.
Tot je onder de douche stapt en denkt:
Wat een lawaai.