SursiraiEen huis tussen de torensLânkaart

Het Huis van Kos

De deur staat open.

God is overal. Ook hier.

Het Huis van Kos is geen kerk.

Er zijn geen geloofsregels, geen preek en geen antwoorden die bij de ingang worden uitgedeeld.

Je hoeft geen lid te worden. Je hoeft zelfs niet te weten wat je gelooft.

Maar wie wil weten wat Kos is, moet misschien toch even naar binnen.

Kos is niet een man die ergens boven de wolken woont. Kos is alles. Wat zichtbaar is en wat niet. Wat we begrijpen en waar we nog geen woorden voor hebben.

Kos is geen geloof. Het overstijgt alle geloven.

Het vraagt niet dat je iets aanneemt, afzweert of kiest. Geloof, twijfel en ongeloof mogen er naast elkaar zitten zonder elkaar te hoeven overtuigen.

Er is geen heilig boek en geen leer. Hooguit een manifest dat niet vertelt wat je moet geloven, maar waarom de deur openblijft.

In Het Huis van Kos staat de mens altijd centraal in het licht.

Niet het geloof. Niet Sai. Niet het manifest. De mens die binnenkomt, met alles wat diegene meebrengt en niets wat bewezen hoeft te worden.

Liefde staat altijd voorop. Zij is de bron van alle energie.

Niet alleen als gevoel tussen twee mensen, maar als de kracht die aandacht, troost, beweging en verbondenheid mogelijk maakt.

Noem het God. Noem het het universum, de natuur of het grote geheel. Noem het desnoods toeval. Het huis verbetert je woord niet.

Kos is wat overblijft wanneer niemand meer hoeft te bewijzen dat zijn naam de juiste is.

En Sai?

Sai is de voorganger. De dominee, de priester en de rabbijn. Niet omdat hij namens Kos spreekt, maar omdat iemand soms een mens nodig heeft die voorgaat, luistert of samen stil kan zijn.

Sai gelooft niet dat alles voorbestemd is. Er ligt geen draaiboek klaar. Wel gelooft hij dat alles wat gebeurt betekenis draagt, ook wanneer we die nog niet kunnen zien.

Wie hem anders noemt, wordt niet verbeterd. Wie helemaal niemand nodig heeft, wordt evenmin gestoord.

Het huis staat tussen de Toren van de Stilte en de Toren van de Verwondering. Dicht genoeg om beide te kunnen zien. Ver genoeg om nergens bij te horen.

Je mag er binnenvallen.

Zwijgen. Een kaars aansteken. Iets achterlaten. Iets terugvinden. Of gewoon even zitten tot je weer weet welke kant je op wilt.

Niemand vraagt waarom je er bent.

Kos is geen baas en geen priester. Het huis heeft geen eigenaar. Sai zet soms een stoel recht, vervangt een opgebrande kaars en zorgt dat de deur niet per ongeluk op slot raakt.

God is overal.
Ook hier.

Wie daar niets mee heeft, mag net zo goed binnenkomen.

Stilte vraagt niet om een verklaring. Troost evenmin.

Kos hoeft geen kerk te bouwen.

Hij hoeft alleen de deur open te houden.