Het begon op vrijdag.

Niet met bloed. Niet met geschreeuw. Niet met een donkere gestalte aan het einde van de gang.

Met een kies.

4-6. Rechteronderkaak.

Hij had daar waarschijnlijk al tientallen jaren gewoond zonder noemenswaardige problemen. Een keurige achterbuurman die nooit klaagde en gewoon zijn aandeel leverde in het vermalen van aardappelen, biefstuk en alles wat het leven verder de mond in schoof.

Tot vrijdag.

Eerst was er pijn.

Niet eens onmiddellijk ondraaglijk. Meer een mededeling.

Ik ben er nog.

Arie negeerde hem.

Dat was een vergissing.

Want ergens diep onder 4-6 had zich iets verzameld. Een ontsteking had bezit genomen van het gebied rond de wortels en begon langzaam de druk op te voeren.

En 4-6 had geen twee wortels.

Ook geen drie.

Hij had er vier.

Vier poten waarmee het monster zich stevig in de rechteronderkaak had verankerd.

Op zaterdag was de boodschap niet langer subtiel.

De pijn trok door de kaak en het hoofd. Slapen werd onderhandelen. Eten werd een technische operatie. De spoedtandarts maakte een foto en keek naar wat zich onder 4-6 afspeelde.

Een flink gat. Tot aan de wortelsplitsing. Ontsteking rond de wortels.

Het oordeel was eenvoudig.

“Die moet eruit.”

Prima.

Doe maar.

Maar nee.

Vier wortels. Ontsteking. Geen klusje voor hier.

Kaakchirurg.

Alleen was het weekend.

En 4-6 kende de openingstijden.

Wat volgde was een farmacologisch schaakspel. Ibuprofen 600. Paracetamol. Amoxicilline. Klokken kijken. Rekenen. Wachten tot iets begon te werken en vervolgens alweer voelen wanneer het ophield.

Er werd zelfs gesproken over wietolie.

Niet om het leven wat gezelliger te maken.

Om het überhaupt gezellig te houden.

De nacht duurde lang.

Zondag besloot 4-6 dat hij nog niet voldoende aandacht had gekregen.

De pijn nam toe. De spoedtandarts werd opnieuw gebeld. Er werd nauwelijks meer gekauwd. Smoothie, karnemelk en pindakaas hielden de patiënt overeind.

Er passeerden gedachten over een touwtje en een deur.

Gelukkig bleef het bij gedachten.

Uiteindelijk werd het de SEH.

Daar kwam de kaakchirurg kijken.

Hij zag de ontsteking en was verbolgen dat de spoedtandarts daar niet zelf het mes in had gezet om de boel te ontlasten.

Dat was een bijzonder geruststellende mededeling.

Je wilt namelijk nooit dat een kaakchirurg naar jouw mond kijkt met een gezicht dat zegt:

Wie heeft dit in godsnaam zo achtergelaten?

Maar het monster bleef zitten.

Nog één nacht.

Maandag, 11.40 uur.

Na drie dagen pijn, antibiotica, ibuprofen, paracetamol, spoedtandartsen, SEH en kaakchirurgen was eindelijk het moment aangebroken.

4-6 zou sterven.

En toen kwam de onverwachte plotwending.

De uitvoerder van het vonnis was…

een stagiaire.

Stephen King had het niet durven schrijven.

Het monster bleek bovendien niet van plan waardig heen te gaan. Geen eenvoudig rukje. Geen bevrijdende plop waarna iemand triomfantelijk een complete kies omhooghield.

Nee.

4-6 moest worden gedemonteerd.

In delen.

Stuk voor stuk werd de vesting afgebroken. Wat jarenlang één onverzettelijk bouwwerk was geweest, verdween stukje bij beetje uit de rechteronderkaak.

Tot er niets meer over was om zich aan vast te houden.

En toen gebeurde iets wat drie dagen onmogelijk had geleken.

4-6 was niet meer.

Er bleef een krater achter.

En een half verlamde mond.

Maar ook stilte.

Heerlijke stilte.

Zo eindigde het weekend van het vierpotige monster. Niet met een heroïsche kaakchirurg die na twaalf jaar studie zijn meest ingewikkelde operatie uitvoerde.

Maar met een stagiaire die blijkbaar dacht:

Ach. Vier wortels. Ook maar gewoon vier wortels.

En misschien zat juist daarin nog een kleine les verscholen.

We hebben elkaar nodig.

De tandarts die de foto maakt. De verpleegkundige op de SEH. De kaakchirurg die ziet wat er werkelijk speelt. Degene die de medicijnen verstrekt. En uiteindelijk zelfs iemand die het vak nog moet leren, maar op precies het juiste moment doet wat nodig is.

De hoofdpersoon liep naar buiten met één kies minder en een mond die voorlopig slechts gedeeltelijk aan hem gehoorzaamde.

Maar hij liep.

En ergens, diep onder Friesland, klonk nog één laatste stem:

Ik ben er nog.

Nee.

Niet meer.

4-6 is niet meer.