Niemand weet precies waar de brommer vandaan komt. Volgens Kwartsoog stond hij gisteren al op de kaart, maar alleen op de achterkant. Bel Torenvalk beweert dat hij hem niet heeft gebouwd.
Hij heeft uitsluitend de uitlaat nagemeten.
Elf centimeter.
Dat kan volgens Tersake onmogelijk voldoende zijn.
Volgens Bel voldoet hij daarmee juist exact aan de Tersake-eisen: groot genoeg om administratief waarneembaar te zijn en klein genoeg om nergens verantwoordelijkheid voor te hoeven nemen.
De brommer heeft 49 cc.
Dat staat tenminste op het verkeersbord dat sinds kort aan de rand van Dwaalstad staat:
PAS OP
OVERSTEKENDE EEND
49 CC
Waarom een eend een brommer nodig heeft, is nooit duidelijk geworden.
Bram kon al lopen.
Hij kon zwemmen.
Vliegen vermoedelijk ook, al deed hij dat zelden wanneer iemand keek.
Maar misschien gaat het daar niet om.
Een brommer is geen vervoermiddel. Een brommer is een leeftijd.
Het is zestien zijn zonder te weten waar je naartoe wilt, maar wel zeker weten dat je er met behoorlijk wat lawaai moet aankomen.
Je hoefde vroeger geen bestemming te hebben.
Je had benzine.
Dat was genoeg.
Je reed naar een vriend die niet thuis was. Daarna naar een andere vriend die ook niet thuis was. Vervolgens naar het tankstation, waar altijd wel iemand stond die nergens heen hoefde.
Het ging niet om aankomen.
Het ging om het geluid waarmee je vertrok.
Prrrr.
Braap.
En als de uitlaat niet voldoende indruk maakte, trapte je nog een keer tegen het standaardje.
Zo ontstonden vriendschappen.
Niet uit gedeelde interesses, maar uit gezamenlijk sleutelen aan iets wat het gisteren nog gewoon deed.
Bram begreep dat onmiddellijk.
Sinds hij de brommer heeft, staat hij iedere ochtend voor It Kofjehûs. Niet om koffie te drinken. Eenden drinken geen koffie zolang niemand het tegendeel in drievoud heeft vastgelegd.
Hij staat er om hem aan te trappen.
Eerste poging:
prrr.
Tweede poging:
prrr… kwak.
Derde poging:
BRAAAP.
Dan kijkt iedereen naar buiten.
Dat is voldoende.
Bram zet zijn eclipsbril op en rijdt weg.
Tersake hield hem de eerste middag staande.
‘Kentekenbewijs.’
‘Kwak.’
‘Rijbewijs.’
‘BRRRAKWAK.’
‘Verzekering?’
Bram keek naar de sloot.
Dat was volgens hem blijkbaar voldoende dekking.
Tersake schreef alles op formulier 49-CC-B.
Bij voertuigsoort vulde hij bromfiets in.
Bij bestuurder watervogel.
Bij brandstof twijfelde hij.
De brommer rook naar mengsmering, natte veren en een heel klein beetje naar vrijheid.
Daar bestond geen vakje voor.
Bel Torenvalk kwam erbij staan met zijn rolvriend. Een meetlint noemt hij principieel niet zo. Een meetlint meet alleen. Een rolvriend denkt mee zolang je hem niet te snel loslaat.
‘Elf centimeter,’ zei Bel.
‘Wat meet u?’
‘Wat nodig is.’
‘Waarvoor?’
‘Dat blijkt meestal achteraf.’
Dat vond Tersake onbevredigend.
Dus werd de brommer voorlopig goedgekeurd.
Sindsdien rijdt Bram door Sursirai.
Over It Paad, al is dat officieel alleen voor wandelaars.
Langs de Greide.
Dwars door Denkdorp, waar het vervelingsmechanisme telkens aanslaat zodra hij terugschakelt.
Soms verdwijnt hij achter de Dwaaltoren en komt hij vóór zichzelf weer tevoorschijn. Dat levert administratieve problemen op, omdat zijn aankomst dan eerder wordt geregistreerd dan zijn vertrek.
De handelspoliep heeft geprobeerd daar een bezorgdienst van te maken.
Bram weigerde.
Hij vervoert niets.
Hooguit zichzelf.
En misschien is dat precies waarom hij die brommer nodig had.
Wij willen altijd ergens naartoe.
Naar werk.
Naar huis.
Naar een afspraak.
Zelfs wanneer we dwalen, willen we achteraf graag kunnen uitleggen wat het ons heeft opgeleverd.
Bram niet.
Hij rijdt omdat de brommer rijdt.
Hij slaat af omdat daar een weg ligt.
Als de weg ophoudt, rijdt hij door totdat iemand besluit dat het toch een weg was.
Misschien zijn we onderweg iets kwijtgeraakt toen reizen vooral verplaatsing werd.
Het doelloze rondje.
Even kijken wie er buiten is.
Stoppen omdat ergens licht brandt.
Niet weten hoe laat je thuiskomt, maar wel weten dat je voor het donker nog benzine moet halen.
Bram heeft dat bewaard.
Niet als herinnering.
Als tweetakt.
Je hoort hem soms in de verte.
Kwak… prrrr… BRAAAP.
Dan kijkt Tersake op van zijn formulier.
Bel Torenvalk rolt zijn rolvriend uit.
En ergens in Dwaalstad draait het verkeersbord zichzelf alvast naar de andere kant van de weg.
Want wie Bram hoort aankomen, is meestal al voorbijgereden.
Niet sneller.
Wel luider.
En heel even weer zestien.