Ik heb een boekenventilator gekocht.
Niet bij de boekenwinkel. Bij de witgoedwinkel. Hij stond tussen de tafelventilatoren en de luchtontvochtigers. Klein bordje erbij: voor mensen die het te warm krijgen van dikke romans.
Ik nam hem mee naar huis.
Thuis uitgepakt. Handleiding van één zin: “Leg een boek open en zet hem aan.”
Ik legde mijn dikste boek open. Pagina 247. Die pagina waar ik vroeger altijd even naar bladerde om te zien of het goed kwam.
Ik zette hem aan.
Stand 1: hij bladerde beleefd. Alsof hij vroeg: mag ik even?
Stand 2: hij begon te zwaaien met de bladzijden. Mijn hele kamer rook ineens naar bibliotheek in augustus.
Stand 3: de personages begonnen te klappertanden van de tocht.
De hoofdpersoon stak zijn hoofd op tussen de bladzijden en zei: “Kun je wat zachter? We proberen hier een einde te breien.”
Ik zette hem op stand 4.
Toen vloog het hele verhaal de kamer in.
De kleine dingen eerst. Een appje met “Hoe is het?” dwarrelde langs mijn raam. Een kop koffie die al klaarstond landde zachtjes op mijn bureau en bleef warm. Een hand op een schouder bleef even hangen en vloog toen weer terug het boek in.
Ik probeerde ze te vangen. Maar hoe harder ik waaide, hoe harder ze terug waaiden.
Uiteindelijk zette ik hem uit.
Het boek viel dicht. Niet op een bladzijde. Precies ertussenin.
En daar, in die kier, zat precies genoeg wind om verder te lezen.
Niet gehaast.
Gewoon genoeg om de volgende bladzijde vanzelf om te laten slaan.
