Bruce Gilden vraagt niet voorzichtig of hij dichterbij mag komen.

Hij staat er al.

Camera in de ene hand, flitser in de andere. Dicht op straat, soms bijna binnen iemands persoonlijke ruimte. Eén beweging, één lichtflits en het gezicht dat een fractie eerder nog anoniem door de stad liep, staat ineens volledig aan.

Rimpels. Littekens. Argwaan. Vermoeidheid. Trots.

Geen tijd om een houding aan te nemen.

Ik bewonder dat.

Misschien ben ik er zelfs een beetje jaloers op.

Niet omdat ik zijn foto’s wil maken. Die zijn van hem. Maar omdat hij iets kan wat ik niet kan: zonder omweg op iemand afstappen en het moment opeisen.

Ik zou al drie keer nadenken voordat ik mijn camera optil.

Stoor ik?

Wil iemand dit wel?

Ben ik dichtbij genoeg?

Of juist veel te dichtbij?

Gilden lijkt die vragen niet eerst met zichzelf te bespreken. Hij fotografeert en laat het antwoord in het beeld ontstaan.

Dat kan hard overkomen. Soms ongemakkelijk. Zijn aanpak roept discussie op, en terecht. Maar wie alleen naar de botsing kijkt, mist misschien wat hem werkelijk interesseert.

De mens.

Niet de gepolijste versie. Niet het gezicht dat speciaal voor de camera wordt klaargezet. Hij zoekt iets wat geen tijd heeft gekregen om zich te verbergen.

Daarin lijken we misschien meer op elkaar dan onze werkwijze doet vermoeden.

Ook ik zoek geen perfect gezicht.

Ik zoek aanwezigheid.

Alleen neem ik een andere route.

Waar Bruce de afstand in één stap overbrugt, blijf ik liever even staan. Ik praat. Kijk. Wacht. Laat iemand wennen aan mij en aan de camera.

Hij vangt de schok.
Ik wacht op vertrouwen.

Hij trapt de deur bijna in.

Ik zet hem open en hoop dat iemand zelf naar buiten komt.

Het ene is niet moediger, eerlijker of beter dan het andere. Het zijn twee manieren om hetzelfde mysterie te benaderen: hoeveel van een mens laat zich werkelijk in één foto vangen?

Misschien heeft iedere fotograaf een afstand waarop hij eerlijk kan kijken.

Bruce Gilden vindt die op minder dan een meter, midden op straat, met een flitser.

Ik vind haar meestal pas wanneer niemand meer haast heeft.

En soms, wanneer ik naar zijn foto’s kijk, denk ik:

Ik wou dat ik dat durfde.

Niet voorgoed.

Misschien maar één middag.

Gewoon om te ontdekken wie er tevoorschijn komt wanneer ik niet eerst de deur openzet, maar één keer aanklop alsof ik al binnen ben.