Het zou een gewone extractie worden.

Dat is achteraf gezien altijd een gevaarlijke zin.

Ik meldde me bij de tandarts in Joure met een kies die blijkbaar besloten had dat vertrekken geen optie was. De tandarts dacht daar anders over en begon vol goede moed aan de uitzettingsprocedure.

Eerst de verdoving.

Nog wat verdoving.

En voor de zekerheid nog wat verdoving.

Mijn mond was inmiddels administratief gezien volledig verdoofd. Mijn kies had daar alleen geen boodschap aan.

Er viel iets met pH.

Dat klonk wetenschappelijk genoeg om mij gerust te stellen, ware het niet dat ik ondertussen vrij nauwkeurig kon voelen wat de tandarts aan het doen was.

Toen begon de strijd.

Er werd getrokken. Gewrikt. Geduwd. Nog eens verdoofd. Gewacht. Weer getrokken.

Ik heb geen klok gezien, maar vermoed dat ergens halverwege de middag de Geneefse Conventie van toepassing werd.

Uiteindelijk gaf de kies zich gedeeltelijk gewonnen.

Gedeeltelijk.

Want diep in mijn kaak had een stuk wortel besloten stand te houden.

De tandarts probeerde het nog. En nog een keer.

Niets.

Er zijn momenten waarop een vakman naar zijn gereedschap kijkt en beseft dat hij zwaarder materieel nodig heeft.

Ik moest naar de kaakchirurg.

Daar werd eerst een scan gemaakt. Dat vond ik geruststellend. Blijkbaar wilde men eerst precies weten waar men de tunnel moest boren.

Daarna verscheen de kaakchirurg.

Eerst meer verdoving.

Veel meer verdoving.

Vervolgens lakens.

Niet een doekje onder mijn kin of zoiets gezelligs. Nee, lakens. Voor mijn gevoel werd de complete bouwplaats afgeschermd van de buitenwereld.

Toen begon de stoel te bewegen.

Achterover.

Verder achterover.

Nog verder.

Op een gegeven moment lag ik zo ongeveer op de kop en begon ik me af te vragen of de wortel misschien gewoon door de zwaartekracht verwijderd zou worden.

De kaakchirurg leek niet iemand die behoefte had aan een gezellig gesprek over mijn weekend. Hij had een scan, een wortel en een opdracht.

Toen kwam de drilboor.

BRRRRRRRRRR.

Ik weet niet hoe het instrument officieel heet. Ik weet alleen dat het geluid weinig ruimte liet voor een tweede mening.

Er werd geboord, gewrikt en gewerkt terwijl ik ondersteboven onder een laken lag. Ik had geen idee wat er gebeurde. Ik wist alleen dat ergens boven mij iemand bezig was met een verbouwing waarvoor geen bouwvergunning leek te zijn aangevraagd.

De kaakchirurg zei weinig.

De drilboor sprak namens hem.

Maar het werkte.

De laatste bezetter van element 26 werd uit zijn bunker gehaald.

Daarna werd de bouwput gehecht.

Ibuprofen mee.

Geen gaasje.

Wel spoelmiddel voor de volgende dag.

En de mededeling dat ik het rustig aan moest doen.

Thuis ontdekte ik vervolgens het volgende probleem.

De krater.

Je weet dat je er niet met je tong aan moet zitten.

Dus dat doe je niet.

Ongeveer vier seconden.

Daarna gaat je tong kijken.

Niet voelen natuurlijk.

Kijken.

Met je tong.

Is hij er nog?

Ja.

Hoe groot zou hij zijn?

Niet doen.

Alleen even langs het randje.

AFBLIJVEN.

De volgende ochtend had de krater de nacht overleefd.

Ik trouwens ook, zij het met aanzienlijk minder nachtrust.

Mijn chef stuurde een bericht.

Hoe gaat het vandaag? Beetje nachtrust kunnen hebben? Rustig aan!

Ik antwoordde dat de nachtrust vies tegenviel, maar dat we nog leefden. Komt vast goed.

En toen ging de telefoon.

De assistente van de tandarts.

Ze wilde weten hoe het met me ging.

Dat vond ik eigenlijk ontzettend aardig.

Want hoewel de gebeurtenissen van de vorige dag alle kenmerken hadden gehad van een middelgrote infrastructurele ingreep, zaten er rondom die krater vooral gewone mensen.

Een tandarts die uiteindelijk wist wanneer hij moest stoppen.

Een assistente die de volgende ochtend even belde.

Een chef die wilde weten of ik een beetje had kunnen slapen.

En ergens tussen al die mensen zat ik.

Met ibuprofen.

Spoelmiddel.

Hechtingen.

En een tong die absoluut niet te vertrouwen was.

De k(R)ater van Joure bestaat nog.

Maar het gevaar is geweken.

Voor zover bekend.

Want vandaag mag ik spoelen.