Kleine lichtjes tussen de bomen, laag boven de varens en soms zo hoog dat je je afvroeg wie daar in vredesnaam een lantaarn had opgehangen. Ze bewogen langzaam, zonder haast, alsof ze de weg allang kenden.

Tersake had ze natuurlijk meteen willen tellen.

Na drieënveertig minuten kwam hij terug.

‘Zeven.’

Bram keek het bos in.

Kwak.

Er vlogen er minstens negen.

Daarmee was het onderzoek afgerond.

Verderop, waar het pad smaller werd en de mist tussen de stammen bleef hangen, woonden de kleine boswachters. Niemand had ze ooit benoemd. Ze hadden geen uniform, geen kantoor en voor zover bekend ook geen formulier waarmee je kon aantonen dat je boswachter was.

Ze pasten gewoon op.

Niet op de bomen. Die konden prima op zichzelf passen.

Ze pasten op wat mensen onderweg verloren.

Een gedachte die je niet meer durfde af te maken.
Een droom die te kinderachtig was geworden.
Een naam die je al jaren niet meer had uitgesproken.
Een stukje moed dat ergens tussen gisteren en vandaag uit je jaszak was gevallen.

De lichtdragers vonden zulke dingen.

Ze namen ze niet mee.

Ze bleven erboven zweven tot iemand ze weer zag.

Daarom was er in Sursirai één regel voor wie ’s avonds door het bos liep:

Als ergens tussen de bomen ineens een lichtje verschijnt, loop er dan niet meteen naartoe.

Blijf staan.

Kijk.

Misschien wijst het nergens heen.

Misschien wijst het naar iets wat al die tijd op jou heeft gewacht.

Sai kende het bos goed.

Hij wist ook dat sommige dingen niet gevonden willen worden.

Alleen gezien.

En ergens diep tussen de bomen klonk:

Kwak.

Bram was het daar kennelijk mee eens.