Vier stoelen stonden er.
Tersake telde ze voor de zekerheid nog een keer.
Vier.
Dat klopte met het formulier.
Alleen stond er in de kamer een vijfde.
Dat mocht niet.
Niet omdat vijf stoelen te veel waren. Maar omdat het formulier vier zei en een stoel die niet op een formulier stond bestuurlijk niet kon bestaan.
Toch zat hij er.
En op de vijfde stoel zat de Neusjokker.
Voor een Fries zou hij een wrotter kunnen zijn. Een peuter met jeuk en een zakdoek waarin alles al gezeten had.
Voor een Hollander misschien een jokkenbrok. Een Pinokkio zonder hout.
Voor Sursirai was hij geen van beiden.
Hij jeukte van de toekomst.
Kwartsoog keek door zijn kwartsoog naar de muur.
‘Daar zit een deur.’
‘Daar zit een sleutelgat,’ zei Tersake.
‘Dat is aan deze kant hetzelfde.’
Toen bewoog er iets achter het sleutelgat.
Eerst verscheen een punt van een zakdoek. Daarna een hand. Toen een neus.
De rest van de man volgde zonder dat het sleutelgat daar zichtbaar groter van werd.
Hij droeg geen jas met binnenzakken waarin nog niets zat. Hij droeg een zakdoek waarin alles al had gezeten.
‘Bent u de opvolger?’ vroeg Tersake.
De man keek hem vriendelijk aan.
‘Gezondheid.’
Tersake wilde zeggen dat hij helemaal niet had geniest.
Toen niesde hij.
Er kwam een wolkje stof uit zijn formulier.
‘Wat is uw functie?’ vroeg hij, toen de toekomst weer een beetje was neergedaald.
‘Neusjokker.’
‘Dat is geen functie.’
‘Dat zei u de vorige keer ook,’ zei Notsnol.
Kwartsoog tekende de Neusjokker onmiddellijk op de kaart. Niet waar hij stond, maar waar hij de volgende keer doorheen zou komen.
De eend zette haar eclipsbril recht.
Voor het eerst keek ze precies de goede kant op.
Boven in de Toren der Verlichting brandde het licht.
Overdag.
Het was geen lamp.
Het was een restje van ons.
Stof uit alle deuren die er gisteren nog niet waren. Gedachten die ooit in een zakdoek verdwenen. Zijwegen die iemand had weggeveegd omdat ze nergens heen leidden.
De Neusjokker vouwde zijn zakdoek open.
‘Dit is het origineel,’ zei hij.
Tersake keek naar het verkreukelde lapje.
‘En Sursirai?’
De Neusjokker schudde de zakdoek eenmaal uit.
Buiten verscheen een huisje. Iets verderop een paadje. Achter de toren begon een eend te kwaaien alsof zij het allemaal al eerder had gezien.
‘Dat,’ zei de Neusjokker, ‘is wat eruit gevallen is.’
In Sursirai vergat iedereen te niezen wanneer de toekomst binnenkwam. Er was eenvoudig te veel om naar te kijken.
Daarom zei de Neusjokker alvast gezondheid.
Wij niezen niet en dus zegt hij gezondheid.
Hij zegt gezondheid en dus moeten wij niezen.
Dat was geen tegenstelling.
Dat was hoe hij irrradiceerde.
Met drie r’en.
Achter Tersake schoof de vijfde stoel nog iets dichter naar de tafel.
De Neusjokker ging zitten, legde de zakdoek zorgvuldig op zijn knieën en keek de kamer rond.
‘Zo,’ zei hij.
‘Nu kan het beginnen.’
De alvogie van de Toren telde inmiddels vijf delen.
Niemand vond dat vreemd genoeg om er een formulier voor te maken.
Stofboel.
