Niemand wist precies waar de Octopoot woonde.
Sommigen zeiden onder de trap van de Toren die Verzamelt. Anderen beweerden dat hij achter het derde boek van links woonde, al kon niemand vertellen welk derde boek ze bedoelden.
Maar iedere herfst verscheen hij.
Harig. Achtpotig. En opvallend vastberaden.
‘Waar ga je heen?’ vroeg Kwartsoog toen hij hem op een ochtend de weg zag oversteken.
‘Naar haar.’
‘Wie is haar?’
‘Geen idee.’
Kwartsoog keek hem aan.
‘Weet zij dat je komt?’
‘Waarschijnlijk niet.’
‘En als je haar vindt?’
De Octopoot zweeg even.
‘Dan kan ze me opeten.’
Kwartsoog knikte langzaam. In Sursirai had hij inmiddels geleerd niet te snel door te vragen.
‘En toch ga je?’
‘Natuurlijk.’
‘Waarom?’
De Octopoot keek naar de lange weg voor hem.
‘Je moet wat over hebben voor je gerief.’
En daar ging hij.
Acht poten tegelijk, alsof twijfel een luxe was voor dieren met minder benen.
Die avond schreef Sai zijn verhaal op en legde het in de Toren die Verzamelt.
Niet onder Liefde.
Niet onder Dood.
Maar onder Kos.
Want soms is het verschil tussen moed en volslagen idioterie slechts één vrouwtjesspin.
