De volgende ochtend stond er iemand bij de toren.
Niet voor de deur.
Naast de tweede stoel.
Hij was jonger dan Tersake, ouder dan hij eruitzag en droeg een jas met binnenzakken waarin nog niets zat.
‘Bent u de opvolger?’ vroeg Kwartsoog.
De jongen schudde zijn hoofd.
‘De opvolgeling.’
‘Wat is het verschil?’
‘Een opvolger weet wie hij vervangt.’
Tersake keek omhoog. Boven bleef het stil.
‘En jij?’
‘Ik volg wat nog niet gebeurd is.’
Dat vond Tersake bestuurlijk onhoudbaar.
Hij opende zijn aktetas, maar herinnerde zich dat hij haar dicht zou laten. Daarom zette hij haar naast de stoel en schonk koffie in.
‘Waar kom je vandaan?’
De opvolgeling wees naar het Paad.
‘Van verderop.’
‘Daar ligt niets.’
‘Nog niet.’
Op dat moment verscheen naast de toren een smal zijweggetje. Het liep tussen twee bomen door en verdween precies voordat duidelijk werd waarheen.
Kwartsoog pakte zijn potlood.
‘Moet ik het intekenen?’
De opvolgeling keek naar de lege plek op de kaart.
‘Nee. Anders weet iedereen straks waar het begint.’
Boven klopte Notsnol tweemaal.
De opvolgeling klopte eenmaal terug.
Toen ging ergens in Sursirai een deur open die nog niemand had gebouwd.
