De tweede toren verscheen op een ochtend naast een sleat.
Niemand had haar gebouwd.
Dat kwam vaker voor in Sursirai, maar deze keer was er iets anders aan de hand.
De toren had oren.
Twee grote stenen oren, hoog aan weerszijden van de muur. Het linker oor wees naar het dorp. Het rechter naar het land.
Tersake was er als eerste.
Dat beweerde hij tenminste. Bij torens die uit zichzelf verschijnen, is het lastig om de presentielijst sluitend te krijgen.
Hij liep eenmaal om het bouwwerk heen en noteerde:
AKOESTISCH ONVERANTWOORD.
Daarna riep hij naar boven:
‘Wie is hier verantwoordelijk voor?’
De toren antwoordde niet.
Tersake riep harder.
Nog altijd niets.
Pas toen hij zijn aktetas neerzette en binnensmonds zei dat hij eigenlijk niet wist wat hij hiermee aan moest, ging bovenin een klein venster branden.
De deur zwaaide open.
Binnen was geen trap. Alleen een ronde kamer met een houten bank en op de muur een zin:
U HOEFT HIER NIET LUIDER TE WORDEN.
Tersake ging zitten.
Na enige tijd kwamen er meer mensen.
Een vrouw vertelde dat ze haar huis miste, hoewel ze er iedere avond naar terugkeerde. Een jongen zei dat hij nergens bang voor was en keek daarbij naar zijn schoenen. Een oude man opende driemaal zijn mond, maar zei niets.
Bij iedere stem bleef de toren stil.
Bij iedere aarzeling boog een oor een klein stukje naar voren.
Toen de oude man opstond om te vertrekken, kraakte ergens boven hen een balk.
Niet als waarschuwing.
Meer als iemand die zei: ik heb u gehoord.
‘Wordt dit gesprek ergens opgenomen?’ vroeg Tersake.
Uit de muur viel een klein briefje.
Er stond maar één regel op:
ALLEEN WAT U NIET ZEI.
Dat vond Tersake bestuurlijk moeilijk houdbaar.
Hij stelde voor een commissie te vormen voor Niet-Uitgesproken Zaken. De anderen deden alsof ze hem niet hoorden.
De toren hoorde het wel.
Sindsdien komen mensen er niet om iets van de toren te vernemen. Ze komen omdat er eindelijk een plek is die niet alvast een antwoord klaar heeft.
Wie hard roept, hoort vooral zichzelf.
Wie zacht spreekt, ziet soms een licht aangaan.
En wie niets zegt, kan er toch worden verstaan.
Aan het einde van de middag zat bij de sleat een eend.
‘Kwak,’ zei ze.
Het rechter oor draaide langzaam haar kant op.
Daarna luisterde de toren tot de laatste kring uit het water verdwenen was.
