De klacht kwam op maandag.
Op alle oude kaarten van Sursirai stond een toren die op de nieuwe kaart ontbrak.
Niet een verdwenen toren.
Een toren die er gisteren nog stond.
Iedere gisteren.
Tersake ging kijken.
Op de aangewezen plek stond Bouwbedrijf De Torenvalk achter een hek. Een man met een timmermansoog hield een klembord vast.
‘Waar is de toren?’ vroeg Tersake.
‘Opgeleverd,’ zei de man.
‘Ik zie niets.’
‘U bent vandaag.’
Dat vond Tersake geen geldig bouwkundig argument.
De man wees achter hem.
Daar stond de toren.
Oud metselwerk. Een uitgesleten deur. Bovenin een raam waarin licht brandde dat al uren uit had moeten zijn.
Aan de gevel hing een plaquette.
OPGELEVERD: GISTEREN
‘Welke datum?’ vroeg Tersake.
‘Gisteren.’
‘Dat is geen datum.’
‘Morgen wel.’
Binnen waren de traptreden uitgesleten door bezoekers die nog nooit waren geweest. In het gastenboek stond op iedere bladzijde dezelfde datum.
Gisteren.
Tersake bladerde naar het begin.
Ook daar stond hij zelf al ingeschreven.
Zijn handtekening was ouder dan hij.
‘Wie gaf opdracht voor dit bouwwerk?’
De uitvoerder keek omhoog.
‘De toren.’
‘Een toren kan geen opdrachtgever zijn.’
‘Dat zei u gisteren ook.’
Tersake draaide zich om.
De uitvoerder was weg. Het hek ook.
Op het klembord lag alleen een factuur van Bouwbedrijf De Torenvalk.
Betaaltermijn: eergisteren.
Tersake zette er een stempel op.
Tijdig ontvangen.
Toen hij weer naar buiten liep, was het veld leeg.
Maar achter hem viel een deur dicht.
Sindsdien staat de Toren van Gisteren al eeuwen in Sursirai.
Vanaf gisteren.
