De negende toren stond op een terp midden in het water.

Er liep een pad naartoe.

Bijna.

Een meter voor de oever hield het op.

Geen ingestorte brug. Geen ontbrekende plank. Het pad was keurig aangelegd en eindigde eenvoudigweg één stap te vroeg.

Tersake plaatste onmiddellijk een bord.

DOORGANG GESTREMD WEGENS ONVOLDOENDE DOORGANG.

Daarna stelde hij een onderzoek in naar de vraag wie verantwoordelijk was voor de ontbrekende meter.

Kos kwam later.

Hij las het bord. Keek naar het water. Keek naar de toren.

Hoog bovenin brandde een klein licht.

‘Is daar iemand?’ riep Tersake.

Geen antwoord.

‘Dat bewijst dus niets,’ zei hij.

‘Nee,’ zei Kos.

‘Dan zijn we het eens.’

‘Ook dat niet.’

Tersake wees op het gat.

‘U kunt toch zien dat het pad niet doorloopt?’

‘Ik kan zien dat ik het laatste stuk niet kan zien.’

Dat vond Tersake een gevaarlijke formulering.

Hij pakte zijn meetlint. Precies negenennegentig centimeter water lag tussen de laatste steen en de terp. Te breed voor een normale stap. Te smal voor een aanbesteding.

Kos ging aan de rand zitten.

Niet om te bidden.

Niet om een wonder af te wachten.

Gewoon om te kijken.

Onder het donkere water bewoog iets. Misschien een steen. Misschien alleen een weerspiegeling.

‘Gelooft u dat daar iets ligt?’ vroeg Tersake.

‘Ik geloof dat de toren niet voor niets aan de overkant staat.’

‘Dat is geen bewijs.’

‘Dat zei ik ook niet.’

Kos stond op.

Hij zette zijn voet op het water.

Niet erop.

Erin.

Zijn schoen verdween tot aan de zool. Daaronder lag een steen die vanaf de kant niet zichtbaar was.

Daarna nog één.

En nog één.

Geen wonder.

Gewoon een pad dat pas zichtbaar werd voor wie erop ging staan.

Bij de deur draaide Kos zich om.

‘Komt u nog?’

Tersake keek naar zijn keurige schoenen.

‘Ik wacht op nadere zekerheid.’

Kos knikte en ging naar binnen.

De toren had geen altaar. Geen preekstoel. Geen heilig teken aan de muur.

Er stond alleen een bank bij het raam.

Daar kon je zitten met alles wat je wist.

En met alles wat je niet wist.

Niemand vroeg welke naam je eraan gaf.

God.

Het universum.

Liefde stond altijd voorop.

Niet alleen als gevoel tussen twee mensen. Als de bron van alle energie. De kracht waaruit aandacht, troost, beweging en verbondenheid konden ontstaan.

Natuur. Het grote geheel. Wat een ander misschien toeval noemde.

De toren verbeterde niemand.

Kos was geen geloof.

Kos was alles wat zichtbaar was en alles waarvoor nog geen woord bestond. Groter dan ieder geloof, zonder ook maar één ervan kleiner te maken.

Er lag geen heilig boek. Hooguit een vel papier met één zin:

DE MENS STAAT ALTIJD CENTRAAL IN HET LICHT.

Niet Kos.

Niet de toren.

Niet degene die beweerde het antwoord te kennen.

De mens die binnenkwam, met alles wat diegene meebracht en niets wat bewezen hoefde te worden.

Sai kwam soms langs.

Voor de één was hij dominee. Voor een ander priester, voorganger of rabbijn.

Sai geloofde niet dat alles voorbestemd was. Er lag geen draaiboek klaar. Wel geloofde hij dat alles wat gebeurde betekenis droeg, ook wanneer die nog niet zichtbaar was.

Niet omdat hij namens Kos sprak.

Omdat iemand soms een mens nodig heeft die voorgaat, luistert of samen stil kan zijn.

Sindsdien heet zij de Toren van Kos.

Sommigen noemen haar de Toren van het Geloof.

Niet omdat Kos een geloof is.

En niet omdat iedereen er hetzelfde gelooft.

Maar omdat iedereen ergens een laatste stap kent die niet op de kaart staat.

Tegen de avond bereikte ook Tersake de overkant.

Met natte schoenen.

Hij hing zijn bord binnen te drogen.

Het licht bovenin bleef branden.