De volgende ochtend stond er een toren op een veld waar gisteren niets had gestaan.

Er stonden steigers omheen. Een kruiwagen. Een bord met een valk.

Dezelfde uitvoerder wachtte bij de deur.

‘Bouwbedrijf De Torenvalk,’ zei hij. ‘We zijn bijna klaar.’

Tersake keek naar het verweerde metselwerk.

‘Deze toren is honderden jaren oud.’

‘Sinds vanmorgen.’

‘Mag ik de vergunning zien?’

De man gaf hem een papier. Bij datum stond vandaag.

Tersake keek nog eens.

Er stond nog steeds vandaag.

‘Dat is geen datum.’

‘Gisteren zei u hetzelfde.’

‘Gisteren stond hier niets.’

‘Dat was een andere toren.’

Binnen was alles nieuw.

Niet schoon of ongebruikt. Nieuw.

Iedere trede ontstond pas wanneer Tersake zijn voet optilde. Achter hem waren ze meteen oud genoeg om te kraken.

Op de eerste verdieping hing geen klok.

Alleen een raam.

Het licht buiten viel precies naar binnen zoals het op dat moment was. Geen minuut eerder. Geen verwachting van later.

‘Waar is het archief?’ vroeg Tersake.

‘Gisteren.’

‘En de planning?’

‘Morgen.’

‘Wat bewaart deze toren dan?’

De uitvoerder dacht na.

‘Niets.’

Dat vond Tersake zorgwekkend weinig.

Op dat moment liep de eend binnen.

‘Kwak,’ zei ze.

De toren gaf geen echo.

Ook dat vond Tersake vreemd. Torens hoorden een echo te hebben.

‘Deze niet,’ zei de uitvoerder. ‘Een echo is altijd te laat.’

Tegen zonsondergang verwijderde Bouwbedrijf De Torenvalk de steigers.

‘Hoe lang blijft hij staan?’ vroeg Tersake.

‘Vandaag.’

‘En morgen?’

‘Dan bouwen we hem opnieuw.’

De volgende ochtend was het veld leeg.

Een paar kilometer verderop lag een eerste steen in het gras.

De uitvoerder stond er al naast.

‘Dezelfde toren?’ vroeg Tersake.

‘Nee,’ zei hij. ‘Wel vandaag.’