Er zijn van die dagen waarop de lucht zich de hele ochtend voorbeeldig gedraagt. Een beetje grijs misschien, een beetje drukkend, maar verder niets om je zorgen over te maken. Mensen zetten hun fiets gewoon buiten, hangen de was op en zeggen tegen elkaar: ‘Het zal wel meevallen.’

Dat is een zin waar het weer nooit veel respect voor heeft gehad.

Rond het middaguur besloot de hemel dat Makkum wel een extra slootje kon gebruiken. Niet door er één te graven, maar door het water rechtstreeks uit te schenken. Alsof iemand boven een emmer had omgekieperd en daarna nog een paar emmers vond waarvan hij vergeten was dat ze er stonden.

Binnen enkele minuten veranderden straten in vaarten. Auto’s deden een bescheiden poging zich als motorboot te gedragen. Fietsers ontdekten dat regenpakken niet zijn ontworpen voor situaties waarin het water óók van onderen komt.

Het riool werkte dapper door. Je hoorde het bijna denken: jongens, ik doe mijn best, maar dit stond niet in de functiebeschrijving.

Buren verschenen in deuropeningen. Niet om elkaar te helpen, dat gebeurde later vanzelf, maar eerst om gezamenlijk vast te stellen dat dit toch wel ‘een beste bui’ was. Nederlanders beschikken over een wonderlijk talent om zelfs een halve binnenzee nog met enige nuchterheid te beschrijven.

Een kind vond het prachtig. Een hond iets minder. De kat had het allemaal al een uur eerder zien aankomen en zat inmiddels hoog en droog op een vensterbank met de blik van iemand die zich afvroeg waarom mensen altijd zo laat zijn.

Na een tijdje trok de bui verder. Alsof hij zich ineens herinnerde dat Friesland uit meer dorpen bestaat.

Het water zakte langzaam weg. Bezems verschenen. Emmers ook. Er werd gelachen om natte schoenen en foto’s gemaakt van straten die even hadden gedacht dat ze grachten waren.

En morgen?

Morgen is Makkum gewoon weer Makkum.

Alleen zal er nog een tijdje iemand op een verjaardag zeggen: ‘Weet je die wolkbreuk nog? Die van twintig augustus?’

En iedereen zal antwoorden: ‘Ja hoor. Toen de lucht even vergat dat ze eigenlijk boven ons hoorde te blijven.’