Er stonden twee collega’s naast me. Ze spraken zacht, maar met de ernst van mensen die een staatsgeheim deelden.
“Heb jij die nieuwe Lord of the Rings-set al?”
“Nee,” zei de ander. “Maar ik heb de rest compleet.”
Dat woord bleef even in de lucht hangen: compleet.
Voor een buitenstaander is LEGO iets waarmee je vroeger speelde. Voor deze heren was het een archief. Een beschaving. Je hebt daar geen verzameling van, leerde ik al snel. Nee, je hebt een collectie. Een verzameling is iets wat per ongeluk ontstaat. Een collectie vraagt discipline, vakkennis en een boekenkast die langzaam verandert in een museum.
Ik luisterde aandachtig.
Er werden setnummers genoemd alsof het oude Friese familienamen waren. Er werd gesproken over eerste drukken, zeldzame minifiguren en een ontbrekend steentje dat waarschijnlijk ooit onder een bank was verdwenen en sindsdien als vermist te boek stond.
Ik dacht even aan Tolkien.
Misschien is de Ring helemaal niet verloren gegaan. Misschien ligt hij gewoon tussen de reserveonderdelen van een LEGO-nerd die hem pas terugvindt als hij een donkergrijze plate 2×3 zoekt.
Het mooie van zulke gesprekken is dat niemand zich hoeft te schamen voor zijn enthousiasme. De een spaart postzegels, de ander oude camera’s, weer een ander bouwt een complete versie van Minas Tirith in de logeerkamer.
En eerlijk gezegd vind ik dat wel geruststellend.
Een wereld waarin volwassenen zich nog druk kunnen maken over een plastic boompje uit 2012 is waarschijnlijk een vriendelijkere wereld dan een waarin niemand zich ergens meer over verwondert.
Ik liep weer verder.
Achter mij hoorde ik nog net:
“Nee hoor, ik heb geen verzameling…”
“…ik heb een collectie.”
En ineens begreep ik het verschil.
