Er was geen vergadering.
Geen marktonderzoek.
Geen directiekamer waarin iemand vroeg welk voertuig het beste zou aansluiten bij de mobiliteitsbehoefte van de moderne consument.
Er was alleen een vraag.
Wat als Nederland weer een eigen auto maakte?
Niet een supercar die zo hard mogelijk wil bewijzen dat hij duur is. Geen rijdend beeldscherm met een stuur als bijzaak. En ook geen retrokarikatuur die voortdurend naar vroeger kijkt.
Gewoon een auto.
Al is gewoon natuurlijk betrekkelijk.
Hij moest stil zijn. Elektrisch. Vierwielaangedreven. Groot genoeg voor zeven mensen, twee honden, een koelbox, laarzen, stoelen en alles wat je pas nodig blijkt te hebben zodra je al onderweg bent.
Hij moest naar de schouwburg kunnen zonder zich te schamen.
Over de snelweg zonder er ruzie mee te maken.
En daarna naar Veenhoop, waar de weg vanzelf smaller wordt en niemand onder de indruk raakt van je acceleratietijd.
Op de neus kwam DAF.
Op de plaat H11.
De kleur werd Veenhoop Green.
Eén kleur. Meer hoeft niet.
Toen hij eenmaal op het scherm stond, zag hij er merkwaardig geloofwaardig uit. Alsof hij niet ontworpen was, maar ergens jarenlang in een Friese schuur had staan wachten tot de wereld elektrisch genoeg was geworden.
De oude DAF keek vooruit met een Variomatic.
Deze kijkt vooruit met vier elektromotoren, veel bagageruimte en vermoedelijk een plek waar Bram comfortabel mee kan.
De folder belooft een bereik van 739 kilometer.
Dat is ruim voldoende om van Veenhoop naar de rest van Nederland te rijden en op tijd terug te zijn voor koffie.
Natuurlijk bestaat hij niet.
Nog niet.
Maar H11 heeft wel vaker last gehad van een werkelijkheid die wat achterloopt.
Ooit was het een groene camper aan het water.
Nu staat er ineens een Nederlandse reisauto op de dijk. Ruimte voor wat er echt toe doet. Van opera tot oever.
Misschien gaat hij nooit in productie.
Misschien blijft hij precies wat hij nu is: een idee met koplampen.
Dat is ook goed.
Niet ieder voertuig hoeft gebouwd te worden om je ergens te brengen.
Sommige hoeven alleen maar even voor je te staan, in precies de goede kleur, en te zeggen:
Gwoan troch.