Ik verwacht dat apps binnen vijf tot tien jaar grotendeels uit mijn dagelijks leven verdwijnen.
Niet omdat hun functies niet meer nodig zijn, maar omdat ik niet langer hoef te weten welke app ik voor welke handeling moet openen. Ik pak een scherm en zeg wat ik wil. De techniek zoekt zelf uit welke diensten daarvoor nodig zijn.
Ik wil niet meer naar mijn agenda, navigatie en restaurantapp om een afspraak te organiseren. Ik zeg:
Plan morgen een lunch in Groningen. Zorg dat ik op tijd vertrek, vermijd files en kies een rustig restaurant met goede parkeergelegenheid.
Het scherm regelt de rest. Het overlegt met mijn agenda, berekent de route en zoekt een geschikte tafel. Alleen wanneer er werkelijk iets te kiezen valt, betrekt het mij erbij.
Het apparaat dat ik daarvoor nodig heb, hoeft nauwelijks nog een telefoon te zijn. Een scherm met een dataverbinding is in wezen voldoende. De interface bestaat niet vooraf, maar ontstaat op het moment dat ik haar nodig heb. Vandaag toont het scherm een route, morgen een boekhouding en daarna misschien een bedieningspaneel voor mijn huis. Zodra de taak is afgerond, verdwijnt die interface weer.
Toch ontbreekt er nog iets wezenlijks.
Om dit mogelijk te maken, moet ik een AI toegang geven tot mijn identiteit, geld, berichten, agenda en misschien zelfs mijn medische gegevens. De vraag is daarom niet alleen wat zo’n systeem kan. De belangrijkere vraag is wat ik het durf toe te vertrouwen.
Ik wil geen algemene toestemming geven om “mijn bank te gebruiken”. Ik wil kunnen zeggen:
Je mag vandaag maximaal veertig euro betalen aan dit restaurant.
Ik wil niet al mijn medische gegevens delen. Ik wil bepalen welke arts welk document mag zien, voor welk doel en tot welk moment. Daarna moet de toegang vanzelf verdwijnen.
Bij iedere belangrijke handeling wil ik vooraf in gewone taal zien wat er gaat gebeuren. Geen algemene voorwaarden van zestig pagina’s, maar één duidelijke afspraak:
Deze gegevens worden met deze partij gedeeld, uitsluitend voor dit doel, tot morgen twaalf uur.
Daarna beslis ik.
Ook wil ik achteraf kunnen controleren wat mijn AI heeft gedaan. Niet via een technisch logboek dat alleen programmeurs begrijpen, maar in begrijpelijke zinnen: welke informatie werd gebruikt, welke keuze werd gemaakt en welke actie werd uitgevoerd.
En ik wil één noodknop. Wanneer ik het vertrouwen verlies, moet ik onmiddellijk alle toegang kunnen intrekken.
Voor mij is dat de ontbrekende laag van de toekomst: een persoonlijk vertrouwensmechanisme dat tussen mij, mijn AI en alle digitale diensten staat. Een combinatie van een paspoort, een notaris, een sleutelbos en een zwarte doos.
Mijn regels blijven daarbij van mij:
Boek niets zonder annuleringsmogelijkheid.
Deel mijn locatie niet nadat de route is berekend.
Vraag altijd toestemming boven honderd euro.
Gebruik mijn persoonlijke gegevens nooit voor reclame.
De AI mag steeds intelligenter worden, maar mijn grenzen worden daardoor niet minder belangrijk. Integendeel. Hoe zelfstandiger het systeem kan handelen, hoe nauwkeuriger ik moet kunnen bepalen namens wie, waarvoor en hoelang het dat doet.
Ik denk terug aan de regenboog die ik boven Horsewei 10 zag. De techniek kan mij precies uitleggen hoe zonlicht in regendruppels wordt gebroken. Ze kan de foto verbeteren, de locatie bepalen en het beeld terugvinden tussen duizenden bestanden.
Maar ze hoeft mij niet te vertellen wat dat moment betekende.
Dat onderscheid wil ik bewaren. De techniek mag organiseren, berekenen en uitvoeren. De betekenis blijft van mij.
Misschien is dat uiteindelijk de eenvoudigste vorm van vertrouwen: niet dat mijn AI alles van mij weet of alles voor mij beslist, maar dat zij haar grens kent.
Ik heb dan geen honderd apps meer nodig. Alleen een scherm, een verbinding en een systeem dat bij iedere belangrijke stap onthoudt wie de baas is.
