Het voertuig stond iets buiten Sursirai geparkeerd.

Tenminste, dat nam Tersake aan.

Het kon ook zijn ontworpen als tuinhuisje en daarna per ongeluk vier wielen hebben gekregen.

Bram liep er langzaam omheen.

“Is dit een auto?”

Tersake keek naar het plaatwerk, de enorme ramen en een dak dat bij stevige wind vermoedelijk eerder arriveerde dan de bestuurder.

“Nee,” zei hij. “Het is een golfkar die carrière heeft gemaakt.”

Aan de voorkant zaten vier koplampen. Dat was geruststellend veel voor een voertuig waarvan nog niemand wist welke kant het op wilde.

De motorkap liep over in een voorruit. De voorruit liep over in nog meer raam. Ergens daarachter begon vermoedelijk het interieur.

Tersake pakte zijn formulier.

Merk: niet aangetroffen.

Model: P.

Voertuigcategorie: vermoedelijk.

Bouwjaar: op gevoel.

Aandrijving: goede bedoelingen.

Kreukelzone: het hele voertuig.

Bram bukte zich bij een van de wielen.

“Waar zit de voorkant?”
“Daar waar de bestuurder het minst bang kijkt,” zei Tersake.

Op dat moment kwam er iemand uit het voertuig.

Hij droeg een overall, een pet en de rustige blik van iemand die nog nooit door vormgeving was tegengehouden.

“Spijkblik Model P,” zei hij trots.

“Waar staat de P voor?” vroeg Bram.

De man dacht even na.

“Personenauto.”

Tersake zette een streep door voertuigcategorie: vermoedelijk en schreef eronder:

Poging.

De man stapte in. Of naar binnen. Dat bleef moeilijk vast te stellen.

Hij draaide de sleutel om.

Er klonk eerst een kuch, toen een kastdeur en daarna iets wat met voldoende fantasie een motor kon zijn.

Het schuurtje begon te rijden.

Niet snel.

Wel vastberaden.

Bram keek het na tot het bij de bocht uit beeld verdween.

“Hoe hard kan hij?”

Tersake keek naar de bomen.

“Dat hangt af van de wind.”

Op het formulier noteerde hij nog één laatste eigenschap:

Actieradius: tot de volgende grijns.