In Bant vond ik een veer.

Een grote, zachte veer met bruine dwarsstrepen. Waarschijnlijk van een bosuil, zei de deskundige op afstand. Dat zou kunnen. Er stonden bomen genoeg en ’s nachts was het er stil.

Ik legde de veer in de camper. Niet omdat ik veren verzamel, maar omdat je soms iets opraapt zonder dat daar meteen een systeem achter hoeft te zitten.

Een paar dagen later stonden we in Limburg.

Daar lag opnieuw een veer. Groter, gladder en grijs, met een brede zwarte rand. Waarschijnlijk van een houtduif. Ook die ging mee naar binnen.

Daarmee hadden we binnen drie dagen twee veren en dus officieel een verzameling. Zo werkt dat blijkbaar.

Eén veer is toeval.
Twee veren zijn administratie.

Terwijl ik de Limburgse aanwinst bekeek, kreeg ik een bericht van een vriend. Hij stond met zijn camper onder Brugge.

Of we samen Brugge in wilden.

“Nee,” antwoordde ik. “Wij gaan morgen naar Zeeland.”

Tien minuten later kwam er een nieuw bericht.

Zeeland leek hun bij nader inzien eigenlijk ook leuker. Waar stonden wij precies?

Het zou mij daarom niets verbazen als er morgen twee Friese campers aan het Veerse Gat staan. De ene komt uit Limburg, de andere via een voortijdig afgebroken internationale expeditie naar Brugge.

Niet door een zorgvuldig reisplan, maar omdat iemand “Zeeland” zei en dat bij nader inzien beter klonk.

Nu ontbreekt alleen nog de volgende veer.

Flevoland gaf ons vermoedelijk een uil. Limburg leverde een houtduif. Zeeland zal dus wel met een meeuw komen. Waarschijnlijk luidruchtig, ongevraagd en vlak nadat hij onze friet heeft gecontroleerd.

Ik verzamel nog steeds geen veren.

Maar in H11 ligt inmiddels wel het begin van een archief.

Een archief zonder inventarisnummer, zonder bewaartermijn en zonder enig plan om compleet te worden.

Precies goed, eigenlijk.