Soms moet je noodgedwongen anders leren kijken.
Bij mij zorgde een herseninfarct daarvoor.
Maar ik zou het niet aanraden.
Niet omdat het geen verschil maakte. Wel omdat de prijs te hoog is.
Voor die tijd kon ik altijd door. Nog een project. Nog een foto. Nog een verhaal. Er was altijd een volgende bladzijde, omdat ik die zelf omsloeg. Snel.
Tot mijn hoofd zelf zei: nu even niet.
En toen werd alles stil.
Niet de stilte die ik kende van mijn slechthorendheid — de stilte waarin ik als kind kon verdwijnen in een boek — maar een andere. Een stilte die me dwong te blijven op de bladzijde waar ik was.
Ik kon niet vooruit bladeren naar pagina 247 om te zien of het goed kwam. Ik kon alleen maar kijken naar wat er al was.
Wat er al was? De kleine dingen.
Een appje met: “Hoe is het?” Zomaar.
Een telefoontje zonder aanleiding.
Een hand op een schouder.
Iemand die je naam onthoudt. Een kop koffie die al klaarstaat. Een glimlach als je een ruimte binnenloopt.
Voor het infarct dacht ik dat je mensen hielp door hun problemen op te lossen.
Daarna ontdekte ik dat je mensen helpt door te laten merken dat ze er niet alleen voor staan. Soms zei iemand bijna niets. En toch zei het alles.
Dat is geen les die je in een boek leest.
Dat is een hoofdstuk dat je pas begrijpt als je het zelf hebt geleefd.
Dus nee, ik zou het niemand aanraden.
Maar als je me vraagt of het iets heeft opgeleverd?
Ja.
Het heeft me geleerd dat de dingen die ertoe doen vaak heel gewoon zijn.
En dat vertrouwen misschien wel niets anders is dan nieuwsgierig genoeg blijven om toch weer die volgende bladzijde om te slaan.
Niet gehaast.
Niet bang voor spoilers.
Gewoon verder lezen.
Misschien is dat wel wat vertrouwen is.
— Arie
