Vanochtend hoorde ik op de radio een reclame.

Niet heel bewust. Gewoon zo’n stem die ergens tussen het nieuws, het verkeer en mijn eigen gedachten door de auto in komt waaien.

En toen hoorde ik:

“Een lekker kopje kamelenthee.”

Oké.

Kamelenthee.

Ik reed verder.

Geen vragen. Geen verbazing. Mijn hoofd vond het blijkbaar volkomen aannemelijk dat we inmiddels thee van kamelen maken.

Misschien uit Marokko.
Biologisch.
Fairtrade.
Met een licht woestijnachtig karakter en een afdronk van dadel.

Waarschijnlijk €4,95 voor twintig zakjes.

Ik zag het zelfs al voor me: een beige doosje met een silhouet van een kameel bij zonsondergang.

Camel Tea – Taste the Desert.

Pas een paar kilometer verderop gebeurde er iets in mijn hoofd.

Wacht even.

Kamelenthee?

Waar máák je dat eigenlijk van?

Van de haren?
Van de melk?
Moet zo’n beest daarvoor eerst een tijdje in heet water staan?

En vooral: waarom had ik hier drie kilometer lang totaal geen bezwaar tegen gehad?

Toen viel het kwartje.

Kamille.

Ze zei kamillethee.

Natuurlijk zei ze kamillethee.

En zo reed ik verder, enigszins opgelucht maar ook een beetje teleurgesteld.

Want kamillethee kennen we inmiddels wel.

Maar ergens in mijn hoofd staat sinds vanochtend een kameel met een theezakje om zijn nek naar me te kijken.

En ik weet bijna zeker wat hij denkt:

Je had ook gewoon je hoortoestellen harder kunnen zetten.