Tersake zette de tweede stoel recht.

Niet omdat hij bezoek verwachtte. Dat deed hij nooit. Hij zette stoelen recht omdat scheve stoelen vragen opriepen en vragen in de regel tot formulieren leidden.

Boven klopte het opnieuw.

Klop. Klop.

Niet harder.

Wel dichterbij.

Tersake keek naar het plafond. Voor zover hij wist had de toren geen bovenverdieping. Hij had dat zelf vastgesteld, opgemeten en in drievoud genoteerd.

Beneden: één tafel, twee stoelen en koffie.

Boven: niets.

Dat stond ook op de bouwtekening.

Hij pakte zijn aktetas en liep naar de trap.

De trap was er gisteren nog niet geweest.

Dat vond hij onbehoorlijk.

Op de eerste trede lag een klein koperen plaatje:

NAAR BOVEN
Alleen voor wie beneden iets heeft achtergelaten.

Tersake controleerde zijn zakken.

Sleutels. Potlood. Meetlint. Een formulier zonder bestemming.

Hij had niets achtergelaten.

Dacht hij.

Halverwege de trap rook hij koffie. Niet de koude koffie van beneden, maar verse. Alsof iemand boven al wist dat hij onderweg was.

De trap eindigde bij een deur.

Geen nummer. Geen klink. Alleen een sleutelgat op ooghoogte.

Tersake keek erdoorheen.

Aan de andere kant zat hijzelf aan tafel.

Niet ongeveer.

Niet iemand die op hem leek.

Tersake.

Dezelfde jas. Dezelfde aktetas. Dezelfde manier waarop hij zijn wijsvinger op tafel liet rusten wanneer hij probeerde te begrijpen waarom iets niet volgens de regels verliep.

Tegenover hem stond een lege stoel.

Toen werd er geklopt.

Niet op de deur.

Vanuit de kamer.

‘Tersake?’

‘Wie bent u?’

Even bleef het stil.

Daarna schoof de man aan de andere kant zijn aktetas opzij.

‘Notsnol.’

‘Dat is geen naam.’

‘Dat zei u de vorige keer ook.’

Tersake voelde in zijn binnenzak naar het formulier zonder bestemming. Er stond nu iets op.

VERSLAG VAN EEN ONTMOETING DIE NOG MOET PLAATSVINDEN

Naam aanwezige: Tersake.
Naam afwezige: Notsnol.
Plaats: de kamer boven de bovenste verdieping.
Doel: thuiskomst.

‘Ik ben hier nooit eerder geweest,’ zei Tersake.

Notsnol knikte.

‘Dat is waarom u steeds terugkomt.’

De deur ging vanzelf open.

De kamer was kleiner dan hij door het sleutelgat had geleken. Er stond slechts één tafel. Twee stoelen. Een koffiepot. Aan de wand hing een plattegrond van de toren.

Op de kaart stond geen uitgang.

Wel een rood kruis.

Precies op de plaats waar Tersake stond.

‘U wilde naar Dwaalstad,’ zei Notsnol.

‘Dat klopt.’

‘Waarom?’

Tersake opende zijn mond.

Voor het eerst kwam er geen antwoord.

Hij keek naar de koffie. Naar de tweede stoel. Naar zijn eigen gezicht tegenover zich.

‘Ik denk dat ik ter zake wilde komen.’

Notsnol schonk twee koppen in.

‘Dan bent u verkeerd gelopen.’

‘Waar had ik heen gemoeten?’

‘Naar huis.’

Tersake keek naar de plattegrond.

‘Dat staat niet op de kaart.’

‘Nee,’ zei Notsnol. ‘U was er nooit.’

Beneden in de toren doofde het licht.

Boven werd het ochtend.

En voor het eerst sinds iemand zich kon herinneren, liet Tersake zijn aktetas dicht.

Notsnol schoof hem een kop koffie toe.

‘Welkom thuis.’

Buiten verscheen op de kaart van Sursirai een klein huisje dat er gisteren nog niet stond.

Niemand wist wie het had gebouwd.

Alleen Kwartsoog keek ernaar, knikte tevreden en schreef er met potlood één woord naast:

Tersake.

Daaronder, iets kleiner:

Eindelijk.