De trap naar beneden stond niet op de bouwtekening.
Dat maakte hem volgens Tersake verdacht.
Dat hij er iedere ochtend overheen liep zonder hem te zien, maakte hem volgens de trap vooral Tersake.
De ingang zat onder de gereserveerde stoel.
Niet erachter.
Niet ernaast.
Eronder.
Toen Tersake de stoel een halve meter verschoof, verscheen in de vloer een ijzeren ring.
Er zat geen waarschuwingsbord bij.
Alleen een formulier.
Het was leeg.
‘Dat kan niet,’ zei Tersake.
Vanuit de vloer klonk iets wat op een zucht leek.
Of tocht.
Tersake noteerde voorlopig tocht.
Onder het luik begon een smalle stenen trap. Het licht van boven bereikte de eerste zeven treden en besloot toen dat het genoeg had gedaan.
Op de onderste trede stond:
WIE ALLEEN NAAR BOVEN KIJKT,
ZIET MAAR DE HELFT.
Tersake keek omhoog.
De stoel stond alweer op zijn plaats.
Hij ging verder.
De kelder was groter dan de toren.
Langs de muren stonden kasten met dossiers die niemand had aangelegd. Op de ruggen stonden jaartallen, namen en besluiten waarvan men later beweerde dat ze nooit genomen waren.
In de eerste kast lagen oude waarheden.
Sommige waren ooit verplicht geweest.
Andere alleen gemakkelijk.
In de tweede kast lagen toekomstplannen die waren afgekeurd omdat ze nog niet bestonden.
Ernaast stond een kist met het opschrift:
GOEDE BEDOELINGEN
NIET STAPELEN
De kist kon niet meer dicht.
Verderop hingen portretten met hun gezicht naar de muur. Niet omdat de mensen erop slecht waren geweest. Dat zou te eenvoudig zijn.
Ze hadden weggekeken.
Dat bleek duurzamer.
‘Wie beheert dit?’ vroeg Tersake.
Niemand antwoordde.
Wel schoof ergens een lade open.
Daarin lag zijn eigen stempel.
Tersake pakte hem op.
Onder de opgedroogde inkt stond een datum van twintig jaar geleden.
Hij herinnerde zich de vergadering.
Niet waarover die ging.
Wel dat er koffie was.
Naast de stempel lag een formulier met zijn handtekening.
Bovenaan stond:
GEZIEN EN NIET BEKEKEN
Voor het eerst zocht Tersake niet naar het vakje bezwaar.
Hij ging zitten op een houten kist en las.
Alles.
Boven in de toren brandde het licht die avond minder fel.
Niemand merkte het.
Behalve de Vlaamse gaai, die een eikel precies boven het luik legde.
En de eend.
Die zette haar eclipsbril af.
Laat in de nacht kwam Tersake weer boven.
Hij schoof de gereserveerde stoel terug.
‘Moet de kelder op slot?’ vroeg Notsnol.
Tersake keek naar de sleutel in zijn hand.
Toen naar de trap.
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat vergeten veel beter werkt met een dichte deur.’
Hij hing de sleutel naast het luik.
Niet als uitnodiging.
Ook niet als waarschuwing.
Gewoon zichtbaar.
Sindsdien zoekt men boven nog steeds naar verlichting.
Maar wie heel stil is, hoort soms onder de vloer een lade opengaan.
Dan weet de toren dat er weer iets is wat niet begraven mag blijven.
