Op de zevende dag rustte God.
Dat was achteraf gezien wat voorbarig.
Want toen Hij op de achtste dag wakker werd, koffie zette en nog eens goed naar Zijn schepping keek, zag Hij dat er iets niet klopte.
Er was licht.
Er was donker.
Er waren bergen, zeeën, bomen, mensen en dieren.
Afrika was prachtig geworden. Noorwegen misschien iets te enthousiast met die fjorden, maar vooruit. Italië had Hij eigenlijk wat overdreven bedeeld en over Nederland was Hij ook best tevreden.
Maar linksboven lag nog een rommelig stukje.
Water vooral.
God pakte de bouwtekening erbij.
“Petrus?”
“Ja?”
“Wat is dit?”
Petrus keek.
“Water.”
“Dat zie Ik ook.”
“Moet daar iets komen?”
God keek nog eens.
“Geen idee.”
Hij had eigenlijk vrij.
Toch trok Hij Zijn laarzen aan en ging kijken.
Het waaide er.
Niet een beetje.
Het waaide horizontaal.
God zette Zijn kraag omhoog.
“Dat laten we zo.”
“Waarom?”
“Daar worden ze sterk van.”
“Wie?”
“De mensen die hier komen wonen.”
Petrus keek om zich heen. Er was water, riet, modder en in de verte nog meer water.
“Vrijwillig?”
“Wacht maar.”
God begon.
Hij strooide wat zand in het zuidoosten. Legde klei in het noorden. Stopte veen waar Hij nog een gaatje vond en liet overal water tussen lopen.
Toen keek Hij tevreden.
“Mooi.”
“Het loopt onder.”
“Dan maken ze dijken.”
“Wie?”
“Die mensen.”
“Welke mensen?”
God zuchtte.
“Petrus, blijf nou even bij de les.”
Hij maakte meren. Sloten. Vaarten. Een paar eilanden. Hier en daar een bos, maar niet te veel, want je moest de horizon kunnen blijven zien.
Toen kwam de wind weer opzetten.
“Zal ik die wat zachter zetten?” vroeg Petrus.
“Nee.”
“Hij staat behoorlijk hard.”
“Dat hoort zo.”
God zette een kerktoren neer om te kijken of alles waterpas stond.
De toren helde iets.
“Prima.”
Daarna maakte Hij de Fries.
Dat bleek ingewikkelder.
De eerste versie zei niets.
“Hij doet het niet,” zei Petrus.
“Jawel.”
“Hij zegt niks.”
“Vraag hem eens wat.”
Petrus liep naar de man.
“Goedemorgen. Hoe gaat het?”
De Fries keek naar de lucht.
“Kin minder.”
God glimlachte.
“Zie je wel.”
De tweede versie praatte iets meer, maar alleen als het ergens over ging. De derde wilde onmiddellijk weten van wie het land was. De vierde begon zonder opdracht een hek te repareren.
God keek tevreden.
“Deze houden we.”
“Ze zijn wel een beetje eigenwijs.”
“Zelfstandig.”
“Stug.”
“Standvastig.”
“Ze luisteren niet.”
God keek Petrus aan.
“Dat probleem heb Ik met meer mensen.”
Daarna gaf Hij ze een taal.
“Is dat nodig?” vroeg Petrus.
“Absoluut.”
“Waarom?”
“Omdat de rest ze anders straks denkt te begrijpen.”
Daar had Petrus niets tegenin te brengen.
Tegen de avond was het bijna klaar.
God liep nog één keer door Zijn nieuwe land.
Hij zag koeien in de wei. Een boerderij achter een rij bomen. Een kerktoren aan de horizon. Water dat glinsterde in het laatste licht.
Er voer een skûtsje voorbij.
Op de kant stond een man met zijn handen in zijn zakken naar de lucht te kijken.
“Moai waar,” zei God.
De man keek Hem aan.
“Kin minder.”
God knikte.
Geslaagd.
Petrus kwam naast Hem staan.
“Hoe noemen we het?”
God dacht even na.
“Fryslân.”
“En wat doen we later met die Friezen? Als ze boven komen?”
“Hoe bedoel je?”
“Bij de hemelpoort. Gewone toelatingsprocedure?”
God keek hem aan alsof Petrus na acht dagen nog steeds niets had begrepen.
“Natuurlijk niet.”
“Speciale rij?”
“Rij elf.”
“Waarom elf?”
“Geen idee. Schrijf nou maar.”
Petrus pakte zijn boek.
RIJ 11 — FERSTOARNE FRIEZEN
“En de toelating?”
God keek nog één keer over het land.
Over de meren, de weilanden, de torens en de koppige mensen die inmiddels alweer bezig waren het door Hem geschapen water weg te pompen.
Toen glimlachte Hij.
“Altijd groen.”
“Ook als ze gezondigd hebben?”
God dacht even na.
“Petrus…”
“Ja?”
“It binne Friezen.”
En zo geschiedde.
