Otis wist zeker dat er iets niet klopte.

Normaal lag het bottenboek altijd op de onderste plank van de kast. Dik, stoffig en vol tekeningen van botten waarvan niemand meer wist van wie ze ooit waren geweest. Niet dat Otis kon lezen. Maar hij kende de geur van iedere bladzijde.

Vandaag rook de plank alleen naar hout.

Otis keek naar links.

Hij keek naar rechts.

Daarna keek hij nog een keer naar links, voor het geval rechts zich inmiddels had verplaatst.

Niets.

Hij liep naar Bram.

“Kwaak.”

“Dat dacht ik ook,” bromde Otis.

Kwartsoog pakte zijn vergrootglas erbij en bestudeerde de lege plek alsof die ergens verstopt lag.

“Interessant,” zei hij. “Het boek ontbreekt, maar de afwezigheid ligt er nog.”

Tersake arriveerde met een formulier.

“Is het boek officieel zoek?”

“Dat weten we niet.”

“Dan vul ik voorlopig in: vermoedelijk aanwezig.”

Bram knikte tevreden.

Otis niet.

Hij volgde een nauwelijks waarneembare geur die tussen de Torens door kronkelde. Niet naar papier. Niet naar stof.

Naar een bot.

Onder een bankje lag een oude kauwstok.

Daaronder lag een losse bladzijde.

Er stond geen tekst op.

Alleen een pootafdruk.

Otis legde zijn neus erop.

Ineens begreep hij het.

Het bottenboek was nooit verdwenen.

Iedere hond die er een bot uit onthield, droeg een bladzijde met zich mee.

Het boek was verspreid geraakt over alle wandelingen die ooit waren gemaakt.

Kwartsoog glimlachte.

“Dat verklaart waarom niemand het ooit helemaal terugvindt.”

Tersake keek naar zijn formulier.

“Moet ik nu invullen dat het boek overal ligt?”

“Bijna,” zei Bram.

“Waar dan?”

Bram kwaakte één keer.

Otis kwispelde.

Sommige boeken staan niet in een kast.

Die lopen op vier poten door de wereld en herinneren zich precies waar het volgende bot begraven ligt.