“Wat een teringherrie.”
Het is een zin die op vrijwel iedere werkvloer wel eens klinkt. Meestal wanneer iemand besluit dat de dag wel een stevige muzikale ondergrond kan gebruiken.
“Dit is prachtig,” zegt de één.
De rest kijkt op alsof er zojuist een betonmolen door de kantine is gereden.
Het mooie is: allebei hebben ze gelijk.
Muziek is misschien wel het eerlijkste dat er bestaat. Je kunt er uren over discussiëren, maar uiteindelijk beslist je gevoel sneller dan je verstand.
De één wordt rustig van zachte jazz. Een saxofoon die bijna fluisterend vertelt dat de wereld best een tandje langzamer mag draaien.
Een ander kiest voor Johnny Cash of Bruce Springsteen. Liedjes waarin het verhaal belangrijker is dan de perfectie. Muziek die ruikt naar lange wegen, versleten schoenen en mensen die telkens weer opstaan.
En dan is er degene die geniet van een muur van gitaren, razendsnelle drums en een zanger waarvan buitenstaanders zich afvragen of hij nog wel woorden gebruikt.
Voor veel mensen is dat teringherrie.
Maar luister je iets beter, dan hoor je iets anders.
Je hoort muzikanten die hun instrument volledig beheersen. Ritmes die in elkaar grijpen als tandwielen. Gitaarsolo’s waar uren, dagen en misschien wel jaren oefening achter schuilgaan. Composities die veel ingewikkelder zijn dan ze op het eerste gehoor lijken.
Je hoeft het niet mooi te vinden om te erkennen dat het knap is.
Dat geldt eigenlijk voor veel meer dingen in het leven.
Niet alles wat je zelf kiest, is daarom minder waard als een ander ervoor kiest. Smaken verschillen. In muziek, in auto’s, in fotografie, in eten en zelfs in de manier waarop mensen naar de wereld kijken.
Misschien is dat juist wel de rijkdom.
Want als iedereen hetzelfde mooi zou vinden, zouden concertzalen leeg zijn, platenzaken overbodig en zou iedere afspeellijst uit precies dezelfde nummers bestaan.
Dan bestond het woord teringherrie waarschijnlijk niet eens.
En dat zou eigenlijk best jammer zijn.
