Eerst was er een hond die niet bestond.
Een forse jongen van zeker tachtig kilo, die zomaar bij de camper was komen aanlopen en in de schaduw was gaan liggen alsof hij daar hoorde. Hij zag eruit als een bewaker, maar deed geen vlieg kwaad. De twee echte honden bekeken hem met de achterdocht van vaste bewoners tegenover iemand die zonder reservering op hun plaats was gaan liggen.
Later verscheen zijn eigenares. Een jonge vrouw met rood haar, uiteraard. Ze nam hem weer mee en de kleinste van de twee echte honden keek alsof zij dat persoonlijk had geregeld.
Het hele voorval had nooit plaatsgevonden. De man had het verzonnen en ergens aan de andere kant van een scherm was iemand zonder aarzelen met hem meegelopen. Zo had de hond even bestaan. Niet in de wereld, maar wel in het verhaal.
De volgende ochtend lag er een veer bij de camper.
Die was echt.
Ze hadden een meeuwenveer verwacht, omdat je aan zee nu eenmaal eerder aan meeuwen denkt. Maar het was een ganzenveer. Bruin, groot en een beetje gehavend. De man hield haar tussen duim en wijsvinger omhoog.
“Wat betekent dat?” vroeg hij.
De gans gaf geen toelichting. Een directeur hoeft dat ook niet altijd te doen.
Ze gingen op pad. Niet omdat er iets moest gebeuren, maar om te kijken waar ze later misschien nog eens naartoe wilden. Een verkenning zonder missie. Langs de haven lagen de boten dicht tegen elkaar aan. Boven de daken stak een toren uit en daarboven lag meer lucht dan een mens op één middag nodig had.
Onderweg stond langs het pad een paaltje met een groen bordje.
10
Geen adres, geen pijl en geen huis dat te koop stond. Alleen het nummer. Toch bleven ze even staan. Sommige tekens hoef je niet groter te maken dan ze zijn, maar ook niet kleiner.
Daarna kwam de bolus.
Hij was groot, donker en zo kleverig dat hij zich niet liet eten zonder ook bezit te nemen van de handen die hem vasthielden. Het Zeeuwse land had zijn boodschap kennelijk van symboliek naar materie verplaatst. Eerst een veer, toen een nummer en nu suikerstroop tussen alle vingers.
Gelukkig was er water.
Tussen het riet liep een kleine inham, met bomen aan beide kanten en een wiebelbrug erboven. Het leek op een bosvijver, maar het water smaakte zilt. De zee was hier ooit weggeduwd en had toch iets van zichzelf achtergelaten.
Ze liepen erin.

Eerst voorzichtig, daarna verder. De vrouw hief midden in het water haar armen op. De man dreef onder het bruggetje met alleen zijn hoofd boven het oppervlak. De suiker verdween van hun vingers. Het zout bleef op hun huid achter.
Zo werd het verhaal vanzelf compleet: een hond die niet echt was, een veer die dat wel was, het getal tien langs een onbekend pad, iets zoets dat bleef plakken en zout water dat alles weer losmaakte.
Niemand had het bedacht. Behalve misschien de hond.
Maar die bestond niet.
Of alleen lang genoeg.
