Op dinsdagochtend verscheen Tersake bij het Onwaarschijnlijke Dierenpark met een formulier.
Dat was op zichzelf niet bijzonder.
Tersake verscheen wel vaker met een formulier. Meestal op plekken die het tot dat moment uitstekend zonder hadden gered.
Op het formulier stond:
JAARLIJKSE DIERENTELLING
Daaronder stond één vraag.
Hoeveel dieren zijn er aanwezig?
Tersake had alvast een pen meegenomen.
“Eenentwintig,” zei de Rekenezel.
Tersake keek op.
“U bent nog niet geteld.”
“Dat verandert de uitkomst niet.”
“Dat zullen we nog wel eens zien.”
De Rekenezel zuchtte. Hij kon uitstekend rekenen, maar had een hekel aan mensen die cijfers eerst wilden meemaken voordat ze erin geloofden.
Bij de ingang stond Kamil. Hij dronk water naast zijn theehuisje en wees met zijn neus naar het bord waarop nog altijd stond dat hij op geen enkele wijze betrokken was bij de productie van thee.
“Eén,” zei Tersake.
Hij zette een streepje.
Naast Kamil stond de Retourpanda in een gehavende doos.
“Bent u nieuw?”
De Retourpanda schudde zijn hoofd.
“Teruggestuurd?”
De panda knikte.
“Was u al eerder geteld?”
De panda haalde zijn schouders op. Op de doos zat zoveel plakband dat het oorspronkelijke antwoord vermoedelijk ergens onderin lag.
Tersake zette voorzichtig een tweede streepje.
De Brandaris stond aan de rand van het park. Overdag deed hij weinig. Hij leek vooral op een vuurtoren die per ongeluk poten had gekregen.
“Dier?” vroeg Tersake.
De Brandaris knipperde één keer met zijn licht.
“Dat is geen geldig antwoord.”
De Brandaris gaf een misthoornsignaal.
Tersake zette een derde streepje. Scheepvaart had tenslotte voorrang.
De Tekenkwartel zat verderop met een potlood tussen zijn veren. Voor hem lag een tekening van het park.
Op de tekening stonden tweeëntwintig dieren.
“Dat klopt niet,” zei Tersake. “We hebben er eenentwintig.”
De Tekenkwartel tekende rustig verder.
“U bent nummer vier.”
De kwartel zette onder aan de tekening een klein kruisje.
Tersake besloot daar later op terug te komen. Dat was administratief meestal de veiligste manier om nooit ergens op terug te hoeven komen.
Bij het volgende verblijf stond de Polifant achter een lessenaar.
“In beginsel,” begon hij, “dient eerst te worden vastgesteld wat onder een dier wordt verstaan.”
“U,” zei Tersake.
“Dat is een wel erg beperkte definitie.”
“Vijf.”
“Daar wil ik formeel bezwaar tegen maken.”
Tersake liep door.
De Knoe zat tussen de varens.
“Zes,” zei Tersake.
De Knoe bekeek hem aandachtig, hing een kaartje met nummer 47 om zijn nek en stuurde hem naar het volgende loket.
Er was geen volgend loket.
Wel zat daar de Stiltemus.
Tersake opende zijn mond.
De Stiltemus begon te zingen.
Twintig meter lang gebeurde er niets. Geen stemmen. Geen wind. Geen geritsel. Zelfs de Polifant hield midden in een formeel bezwaar zijn bek.
Tersake schreef zeven. Hij wist niet zeker waarom. Maar de stilte voelde overtuigend.
De Kuifreiger wilde pas worden geteld nadat was vastgesteld van welke kant de wind kwam. Zijn kuif stond die ochtend naar links en hij wilde niet dat dit later verkeerd in de administratie terechtkwam.
Tersake ging rechts van hem staan.
“Acht.”
De Kuifreiger draaide zich om. Zijn kuif stond opnieuw naar links.
Bij de Donderspecht werd het ingewikkelder. Iedere keer dat Tersake een streepje probeerde te zetten, tikte de vogel tegen een boom.
Na zeven tikken rommelde het in de verte. Na acht begon het boven verblijf negen te regenen.
“U mag alleen op woensdag onweer maken.”
De Donderspecht keek naar de lucht. De lucht keek terug. Het was dinsdag.
Tersake schreef negen en onderstreepte het.
De Keispelkever had ondertussen alle telsteentjes verplaatst.
“Dat waren er tien,” zei Tersake.
De kever schoof één kei naar links.
“Of elf.”
De kever schoof hem terug.
Tersake schreef tien. De Keispelkever won daarmee voor het eerst een spel waarvan nog altijd niemand de regels kende.
Van de Kolkpony waren alleen twee oren zichtbaar.
“Elf,” zei Tersake tegen het water.
Een appel dreef droog naar de overkant. Dat gold als bevestiging.
De Leliedas kwam uit het riet met een verse waterlelie om zijn hals.
“Bent u een lelie of een das?”
“Ja,” zei de Leliedas.
“Twaalf.”
De Huiverezel stond alvast te rillen.
Tersake zette zijn pen op het formulier. De ezel schrok van het krassen. Daarna schrok hij van zijn eigen schrik. Vervolgens begon hij te huiveren voor de volgende telling.
“Dertien,” fluisterde Tersake.
De Scanslang lag opgerold rond een laadstation.
Tersake hield de scanner bij zijn staart.
BIEP.
Voorraad: 1.
Hij scande nog een keer.
BIEP.
Voorraad: 2.
“Dat kan niet.”
BIEP.
Voorraad: -1.
De Scanslang keek hem vriendelijk aan. Zijn eigen barcode zat aan de onderkant.
Tersake schreef veertien, haalde het door en schreef daarna slang.
Bij het volgende verblijf zat de Mopperiger onder een afdak.
“Vijftien,” zei Tersake.
“Het regent.”
“U zit droog.”
“Dat maakt het buiten niet minder nat.”
“U heeft vis en vlees.”
“Gisteren was er kip.”
“Wilt u kip?”
“Nee. Maar het gaat om het principe.”
Tersake liep verder. Achter hem mompelde de Mopperiger dat niemand ooit de moeite nam om werkelijk te luisteren.
De Moppermier kwam voorbij met een broodkruimel die twintig keer zo groot was als hijzelf.
“Zestien.”
“Moet ik nu ook al zelf mijn aanwezigheid doorgeven?”
“U bent geteld.”
“Mooi. Dan kan de rest zeker weer niets doen.”
Achter hem liepen honderden mieren met kruimels. Volgens iedere mier afzonderlijk deed hij alles alleen.
Het Wortelvarken was nergens te zien.
Tersake keek in het verblijf. Leeg.
Toen kwam het varken drie tuinen verder uit de grond.
“Ik zoek de oorzaak,” zei hij.
“Waarvan?”
“Dat weet ik pas als ik hem gevonden heb.”
Tersake twijfelde of een dier buiten zijn verblijf als aanwezig mocht worden beschouwd.
Het Wortelvarken verdween opnieuw onder de grond en kwam binnen het hek boven.
“Zeventien.”
Het Vierkantspaard deed ondertussen een rondje.
Rechtdoor. Stilstaan. Haakse bocht. Rechtdoor. Stilstaan. Haakse bocht.
Na vier bochten stond het weer op precies dezelfde plek.
“Achttien,” zei Tersake.
Het paard zette nog één stap en stond daardoor officieel naast zichzelf.
Tersake weigerde een extra streepje te zetten.
Toen klonk uit de struiken een gebrul waar de Brandaris even van dimde.
Tersake liet zijn pen vallen.
De Huiverezel begon alvast voor morgen te beven. De Kuifreiger dook achter zijn eigen kuif. Zelfs de Mopperiger hield drie seconden op met klagen.
Uit de struiken kwam een klein hert tevoorschijn.
De Brulree.
Hij keek geschrokken om zich heen. Toen hoorde hij de laatste echo van zijn eigen gebrul. Daar schrok hij opnieuw van. Hij brulde nog harder en verdween.
“Negentien,” zei Tersake toen hij zijn pen had teruggevonden.
“Twintig,” zei de Rekenezel.
“Nee. U bent twintig.”
“Dat zei ik.”
“U zei eenentwintig.”
“Omdat er eenentwintig zijn.”
Tersake keek naar zijn formulier.
Hij telde de streepjes. Hij telde ze nog een keer. Daarna hield hij zijn duim op het woord slang en begon opnieuw.
Twintig.
“Waar is nummer eenentwintig dan?”
Bram stond bij de uitgang.
Naast hem zat de Knoopeend.
Ze had de twee helften van het toegangshek met een ingewikkelde knoop aan elkaar vastgemaakt.
Niet dicht. Niet open. Gewoon aan elkaar.
“Eenentwintig,” zei de Rekenezel.
Tersake zette het laatste streepje. Daarna wilde hij het park verlaten.
Dat lukte niet.
“De knoop moet los,” zei hij.
De Knoopeend keek hem aan.
Kwak.
Bram keek naar de Knoopeend.
Kwak.
Niemand wist wie van de twee begonnen was.
Tersake probeerde de knoop te ontwarren. Hoe langer hij eraan trok, hoe meer hek erbij betrokken raakte.
Uiteindelijk zaten de ingang, het informatiebord en een deel van de omheining aan elkaar.
De Retourpanda stond inmiddels opnieuw buiten.
Of binnen.
Dat was door de knoop niet langer met zekerheid vast te stellen.
“Moet ik hem nu nog een keer tellen?” vroeg Tersake.
De Rekenezel schudde zijn hoofd.
“Eenentwintig.”
“Zeker?”
“Nee.”
Aan de andere kant van het park legde de Tekenkwartel zijn potlood neer.
De tekening was klaar.
Er stonden eenentwintig dieren op.
En vlak achter het scheve hek zat nog iets kleins.
Niemand kon zien wat het was. Ook de Knoe niet.
Tersake keek lang naar de tekening.
Toen streepte hij bij Hoeveel dieren zijn er aanwezig? het getal 21 door.
Hij schreef:
Vermoedelijk.
Daaronder zette hij:
Hertelling niet mogelijk. Uitgang zit vast.
De Knoopeend knikte tevreden.
De Stiltemus begon te zingen.
En eindelijk was het in het hele park even stil.
Behalve bij de Mopperiger.
Die vond de stilte te luid.
