De toren stond er op een ochtend.

Dat was vreemd, maar niet vreemd genoeg om in DenkDorp onmiddellijk alarm te slaan.

Daar verscheen wel vaker iets dat de vorige dag nog niet bestond. Een zijweg. Een formulier. Een herinnering die volgens drie mensen van hen was. Meestal verdween zoiets vanzelf zodra iemand er een commissie voor wilde oprichten.

Met de toren gebeurde dat niet.

Hij stond aan de noordkant van het dorp, waar het Paad een bocht maakte richting Dwaalstad. Donkere bakstenen, smalle ramen en bovenop een rand met kantelen die nergens tegen leken te beschermen.

Aan de voet hing een bord.

TOREN DER VERLICHTING
Beklimming op eigen inzicht.
Wie boven aankomt, begrijpt waarom.
Wie het begrijpt, hoeft niet meer naar boven.

De eerste dag lachte iedereen erom.

De tweede dag iets minder.

Op de derde avond brandde er licht in het bovenste raam.

Niet fel. Meer het warme, gelige licht van een keuken waarin iemand net koffie heeft gezet.

Volgens de torenwachter woonde er niemand.

Niemand wist waar de torenwachter vandaan kwam.

Hij zat iedere ochtend op een houten stoel naast de deur en keek omhoog. Naast hem stond een tweede stoel, maar daar mocht niemand op zitten.

‘Voor wie is die?’ vroeg de bakker.

‘Voor degene die terugkomt,’ zei de torenwachter.

Dat antwoord beviel de bakker niet. Hij ging naar huis en bakte die dag alleen ronde broden.

Tersake

Toen kwam meneer Tersake.

Tersake was voorzitter van de gemeentelijke commissie voor zaken die dringend besproken moesten worden voordat iemand ontdekte dat ze nergens over gingen.

Hij liep driemaal om de toren heen, mat de deuropening met zijn aktetas en schreef op dat de toren vermoedelijk niet voldeed aan de geldende voorschriften voor gebouwen die onverwacht verschijnen.

‘Is dit de weg naar Dwaalstad?’ vroeg hij.

De torenwachter keek omhoog.

‘Dat hangt ervan af wat u beneden dacht.’

Tersake wachtte op de rest van het antwoord.

Die kwam niet.

‘Ik ga naar boven,’ zei hij.

‘Dat doen de meesten.’

‘En daarna?’

‘Daarna komen de meesten naar beneden.’

De deur ging open voordat Tersake haar aanraakte.

Binnen begon een stenen wenteltrap. Er hing geen lamp, maar iedere trede werd zichtbaar zodra hij zijn voet optilde. Achter hem verdween het licht weer.

Na twaalf treden keek hij om.

De deur was weg.

Op de plek waar zij had gezeten, liep de trap gewoon verder naar beneden.

Tersake riep de torenwachter.

Van diep onder hem klonk zijn eigen stem.

‘Ik ga naar boven.’

Daarna hoorde hij de deur dichtvallen.

De kamer

De trap telde driehonderdveertien treden.

Of negenentwintig.

Tersake had ze beide geteld.

Boven vond hij een ronde kamer met één raam, één tafel en twee koppen koffie. De ene dampte. De andere was koud.

Aan de muur hing een kaart van DenkDorp.

Zijn huis stond er niet op.

Dat was onmogelijk. Tersake woonde al achtentwintig jaar in hetzelfde huis, naast de brievenbus die door een fout in de administratie officieel een bushalte was.

Hij bekeek de kaart van dichterbij.

Op de plaats van zijn huis stond een klein wit vlak.

Daaronder was met potlood geschreven:

Hier woonde iemand die overal bij was, behalve thuis.

Tersake voelde iets wat hij gewoonlijk alleen voelde wanneer een vergadering zonder hem was begonnen.

Hij draaide zich om.

Aan de overkant van de tafel zat een man.

De man droeg dezelfde jas als Tersake. Dezelfde bril. Dezelfde lichte vlek op zijn linkerhand.

Alleen keek hij niet boos.

‘Wie bent u?’ vroeg Tersake.

‘Dat wilde ik jou vragen.’

‘Dit is geen antwoord.’

‘Dat heb je vaak gezegd.’

De man schoof de warme koffie naar hem toe.

‘Ik drink geen koffie na vier uur.’

‘Je vrouw zet hem iedere avond om half acht.’

‘Mijn vrouw weet dat ik dan vergader.’

‘Ze zette hem toch.’

Buiten het raam lag DenkDorp, maar niet het DenkDorp dat Tersake kende. Er waren geen rechte straten. Geen gemeentehuis. Geen bordjes die vertelden wat niet mocht.

Zijn huis stond er wel.

Voor het raam zat zijn vrouw met twee koppen koffie.

Op de lege stoel lag zijn jas.

‘Dat is niet gebeurd,’ zei Tersake.

‘Nee,’ zei de andere man. ‘Dat is het probleem.’

Beneden

Toen Tersake weer buiten kwam, was het donker.

De torenwachter zat nog naast de deur. De tweede stoel was leeg.

‘Hoelang ben ik boven geweest?’ vroeg Tersake.

‘U bent niet boven geweest.’

Tersake keek naar zijn schoenen. Er zat grijs stof op dat niet van het Paad kwam.

In zijn hand hield hij een koude kop koffie.

Hij liep naar huis.

Alle ramen waren verlicht. Door het keukenraam zag hij zijn vrouw aan tafel zitten. Tegenover haar zat een man in zijn jas.

De man lachte om iets wat zij zei.

Tersake klopte op het raam.

Zijn vrouw keek op.

Ze schrok.

Niet alsof haar man na een lange dag thuiskwam.

Alsof een vreemde ’s avonds laat tegen haar keukenraam tikte.

De man aan tafel stond op en kwam naar de deur.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg hij.

Tersake keek naar zijn eigen gezicht.

‘U woont in mijn huis.’

De man keek over zijn schouder naar de vrouw.

‘Volgens mij vergist u zich.’

Achter Tersake sloeg de torenklok eenmaal.

De Toren der Verlichting had geen klok.

De tweede stoel

De volgende ochtend vonden de inwoners van DenkDorp Tersake aan de voet van de toren.

Hij zat op de tweede stoel.

Naast hem stond een lege kop.

‘Bent u nu de torenwachter?’ vroeg Kwartsoog.

Tersake keek omhoog.

‘Dat hangt ervan af wat u beneden dacht.’

Kwartsoog zette een stap achteruit.

De oude torenwachter was nergens te zien.

Op zijn stoel lag alleen een aktetas.

Sindsdien bleef de toren meestal donker.

Overdag deed het licht het niet.

’s Nachts ook niet altijd.

Maar soms, wanneer iemand in DenkDorp heel zeker wist wie hij was, verscheen bovenin een warme gloed.

Dan rook het op het Paad naar verse koffie.

En Tersake zette de tweede stoel alvast recht.

Die nacht brandde er voor het eerst licht beneden in de toren.

En boven klopte iemand op de deur.

Notsnol

Tersake zette de tweede stoel recht.

Niet omdat hij bezoek verwachtte. Dat deed hij nooit. Hij zette stoelen recht omdat scheve stoelen vragen opriepen en vragen in de regel tot formulieren leidden.

Boven klopte het opnieuw.

Klop. Klop.

Niet harder.

Wel dichterbij.

Tersake keek naar het plafond. Voor zover hij wist had de toren geen bovenverdieping. Hij had dat zelf vastgesteld, opgemeten en in drievoud genoteerd.

Beneden: één tafel, twee stoelen en koffie.

Boven: niets.

Dat stond ook op de bouwtekening.

Hij pakte zijn aktetas en liep naar de trap.

De trap was er gisteren nog niet geweest.

Dat vond hij onbehoorlijk.

Op de eerste trede lag een klein koperen plaatje:

NAAR BOVEN
Alleen voor wie beneden iets heeft achtergelaten.

Tersake controleerde zijn zakken.

Sleutels. Potlood. Meetlint. Een formulier zonder bestemming.

Hij had niets achtergelaten.

Dacht hij.

Halverwege de trap rook hij koffie. Niet de koude koffie van beneden, maar verse. Alsof iemand boven al wist dat hij onderweg was.

De trap eindigde bij een deur.

Geen nummer. Geen klink. Alleen een sleutelgat op ooghoogte.

Tersake keek erdoorheen.

Aan de andere kant zat hijzelf aan tafel.

Niet ongeveer.

Niet iemand die op hem leek.

Tersake.

Dezelfde jas. Dezelfde aktetas. Dezelfde manier waarop hij zijn wijsvinger op tafel liet rusten wanneer hij probeerde te begrijpen waarom iets niet volgens de regels verliep.

Tegenover hem stond een lege stoel.

Toen werd er geklopt.

Niet op de deur.

Vanuit de kamer.

‘Tersake?’

‘Wie bent u?’

Even bleef het stil.

Daarna schoof de man aan de andere kant zijn aktetas opzij.

‘Notsnol.’

‘Dat is geen naam.’

‘Dat zei u de vorige keer ook.’

Tersake voelde in zijn binnenzak naar het formulier zonder bestemming. Er stond nu iets op.

VERSLAG VAN EEN ONTMOETING DIE NOG MOET PLAATSVINDEN

Naam aanwezige: Tersake.
Naam afwezige: Notsnol.
Plaats: de kamer boven de bovenste verdieping.
Doel: thuiskomst.

‘Ik ben hier nooit eerder geweest,’ zei Tersake.

Notsnol knikte.

‘Dat is waarom u steeds terugkomt.’

De deur ging vanzelf open.

De kamer was kleiner dan hij door het sleutelgat had geleken. Er stond slechts één tafel. Twee stoelen. Een koffiepot. Aan de wand hing een plattegrond van de toren.

Op de kaart stond geen uitgang.

Wel een rood kruis.

Precies op de plaats waar Tersake stond.

‘U wilde naar Dwaalstad,’ zei Notsnol.

‘Dat klopt.’

‘Waarom?’

Tersake opende zijn mond.

Voor het eerst kwam er geen antwoord.

Hij keek naar de koffie. Naar de tweede stoel. Naar zijn eigen gezicht tegenover zich.

‘Ik denk dat ik ter zake wilde komen.’

Notsnol schonk twee koppen in.

‘Dan bent u verkeerd gelopen.’

‘Waar had ik heen gemoeten?’

‘Naar huis.’

Tersake keek naar de plattegrond.

‘Dat staat niet op de kaart.’

‘Nee,’ zei Notsnol. ‘U was er nooit.’

Beneden in de toren doofde het licht.

Boven werd het ochtend.

En voor het eerst sinds iemand zich kon herinneren, liet Tersake zijn aktetas dicht.

Notsnol schoof hem een kop koffie toe.

‘Welkom thuis.’

Buiten verscheen op de kaart van Sursirai een klein huisje dat er gisteren nog niet stond.

Niemand wist wie het had gebouwd.

Alleen Kwartsoog keek ernaar, knikte tevreden en schreef er met potlood één woord naast:

Tersake.

Daaronder, iets kleiner:

Eindelijk.

De opvolgeling

De volgende ochtend stond er iemand bij de toren.

Niet voor de deur.

Naast de tweede stoel.

Hij was jonger dan Tersake, ouder dan hij eruitzag en droeg een jas met binnenzakken waarin nog niets zat.

‘Bent u de opvolger?’ vroeg Kwartsoog.

De jongen schudde zijn hoofd.

‘De opvolgeling.’

‘Wat is het verschil?’

‘Een opvolger weet wie hij vervangt.’

Tersake keek omhoog. Boven bleef het stil.

‘En jij?’

‘Ik volg wat nog niet gebeurd is.’

Dat vond Tersake bestuurlijk onhoudbaar.

Hij opende zijn aktetas, maar herinnerde zich dat hij haar dicht zou laten. Daarom zette hij haar naast de stoel en schonk koffie in.

‘Waar kom je vandaan?’

De opvolgeling wees naar het Paad.

‘Van verderop.’

‘Daar ligt niets.’

‘Nog niet.’

Op dat moment verscheen naast de toren een smal zijweggetje. Het liep tussen twee bomen door en verdween precies voordat duidelijk werd waarheen.

Kwartsoog pakte zijn potlood.

‘Moet ik het intekenen?’

De opvolgeling keek naar de lege plek op de kaart.

‘Nee. Anders weet iedereen straks waar het begint.’

Boven klopte Notsnol tweemaal.

De opvolgeling klopte eenmaal terug.

Toen ging ergens in Sursirai een deur open die nog niemand had gebouwd.